DRIE DECENNIA KERAMIEK VAN POTTERIE RAVELLI IN LEEUWARDEN

Toen ik dertien jaar was gaven mijn ouders na lang aarzelen hun toestemming. Op een zaterdag kocht ik verf en kwasten. Zondagavond was het plafond van mijn kamer oranje en de muren paars. Op het bed lag een oranje badstofsprei met ribbels. En voor het raam hing een keramobile. We schrijven het begin van de jaren zeventig.

De keramobile was een keramieken bol met in de bovenste helft drie gaten om planten in te stoppen. Er zat een koordje aan om hem op te hangen. De ontwerper van deze wild geplagieerde bloempot was Jaap Ravelli, de keramist van wiens werk in museum Het Princessenhof in Leeuwarden tot 3 september een tentoonstelling is te zien.

In 1944 bezocht Ravelli, voorheen een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, een pottenbakkerij en ontstak in enthousiasme. Drie jaar later richtte hij met steun van zijn broer een eigen 'potterie' op in het Zuidhollandse Valkenburg. Die zou zich gaan specialiseren in kado-goed als vazen, cachepots en asbakken. Hun reclamekreet luidde: Ravelli. Aardewerk der 20e eeuw. En achteraf blijken zij daar niet eens zo erg ongelijk in te hebben gehad.

Want als er iets typerend was voor het keramiek van de werkplaats dan was het wel haar modernisme. Jaap Ravelli had een uitstekende neus voor nieuwe trends, als hij ze zelf al niet zette. Enig geluk kwam daar soms wel bij kijken. Zo ontbrak het de gebroeders Ravelli vlak na de oorlog nog aan vakmanschap. Daardoor voldeden zij op natuurlijke wijze aan de toenmalige behoefte aan simpele vormen. Jaap kon slechts rechte, cilindrische vazen draaien. Die vielen in hun eenvoud zelfs in goede aarde bij de Stichting Goed Wonen, de naoorlogse interieurinquisitie die streed tegen de slechte smaak. Ingewikkelder vazen lieten ze gieten. Zoals het zwartwitte, grillig gevormde 'New Look'-aardewerk dat in de jaren vijftig zo in trek was en tegenwoordig in al zijn lelijkheid weer verzameld schijnt te worden. Het ademt de rucksichtslose geest van de Wederopbouw, die in een klap afscheid nam van alle oude vormen. Een verbijsterende kaalheid kwam ervoor in de plaats. Dergelijk vaatwerk verdiende inderdaad geen beter huis dan een vol met formica tafelbladen en boekenrekjes van draadijzer. Dat Jaap Ravelli het wit en zwart glazuurde, vertelde hij later in een interview, was eveneens domweg ingegeven door een gebrek aan kennis van de glazuurtechnieken.

In de jaren zestig keerden wij en masse terug naar de natuur. En dus ontwierp Jaap Ravelli rustieke 'Berkebast'-vazen, wier oppervlak inderdaad op een berkebast leek. Groot succes had het via de Bijenkorf verspreide 'Incara-' aardewerk van donkere klei met putjes en warme aardetinten. Ravelli had zichzelf inmiddels bijgeschoold en was nu ook in staat om gekleurde glazuren aan te brengen. Dat kwam van pas in de jaren zeventig, toen de firma, als een van de eersten, uiterst hippe rode, gele en oranje vazen produceerde.

Maar zoals alle Nederlandse fabrikanten van gebruikskeramiek leed Ravelli in de jaren zeventig onder het instorten van de vraag. Vooral de toenemende import van goedkoop aardewerk uit lage-lonen-landen was daar de oorzaak van. In 1977 bleek dat noch de keramobiles, noch de populaire kruidenkweekpotjes die voor het raam konden worden opgehangen of de keramieken maskers versierd met macrame-knoopwerk het bedrijf met vijftien werknemers hadden kunnen redden. Jaap Ravelli vergeleek zijn potterie graag met ambachtelijke 'kunstpottenbakkerijen' als Zaalberg en Mobach. Een Zaalbergschaal uit de jaren vijftig kan nog steeds onopvallend als fruitschaal dienen. Een Ravelli-tegel uit dezelfde periode is echter allerminst tijdloos: hij is bij uitstek gedateerd. Dat maakt de tentoonstelling in Leeuwarden wel charmant. De bezoeker wandelt er door een zaal vol jeugdherinneringen. Hier is de tijdgeest van de jaren vijftig, zestig en zeventig in vitrines gevangen.