Dat saaie alfabet

Sesamstraat (in Amerika Sesame Street) is een prima kinderprogramma. Daar zijn deskundigen, ouders en de kinderen zelf het over eens. Het heeft een goede opzet met korte scenes die toch onderling samenhangen, herkenbare en sympathieke figuren, alle rassen komen erin voor, ook gehandicapte kinderen doen wel eens mee, het is vrolijk, grappig en educatief tegelijk. Een perfect programma om de kinderen aan bloot te stellen, als je zelf even rustig de krant wilt lezen.

En toch. Er hinderde mij iets zonder dat ik het onder woorden kon brengen en wat ik aanvankelijk onderbracht bij het algemene, een beetje vage gevoel dat jonge kinderen hoe dan ook zo min mogelijk tijd voor de televisie horen door te brengen. Maar ik ben te weinig ideologisch gedreven om de kinderen ook daadwerkelijk hun tv-pleziertje te ontzeggen. Dus vooruit maar, mits met mate. Ik kwam er pas achter wat mij hinderde, toen ik weer eens een loom-hete middag doorbracht op het speelplaatsje, waar de kinderen uit de buurt bij elkaar komen om met schepjes en emmertjes in het zand te spelen. Op de schommel zat een jongetje van een jaar of drie landerig het alfabet te reciteren. Hij dreunde het niet op, maar zong het op de wijs van een kinderliedje. Zijn vader zat op een bankje en riep aanmoedigend: 'Very good, Christian! And can you count?' Ja hoor, dat kon Christian wel, en hij begon braaf van 1 tot 20 te zingen, en nog eens en nog eens.

De hele voorstelling, die geen voorstelling was want het jongetje deed het niet om op te vallen, irriteerde me mateloos. Dat stomme getel, dat stomme alfabet! Maar met Sesame Street wordt het er letterlijk ingeramd (this program has been brought to you by the letters P and W and by the number 11). Elke driejarige kan hier het alfabet zingen op verschillende wijsjes, maar een gewoon kinderliedje, een versje of nursery-rhyme a la 'In Den Haag daar woont een graaf' hoor ik nooit op Sesame Street. Wat er aan liedjes in zit gaat meer de kant van de pastiche op. Wie wel eens de muppets een rock 'n roll nummer of een cowboylied heeft zien uitvoeren weet wat ik bedoel. Geestig, virtuoos, maar heel erg meta. Enfin, dat die liedjes over de hoofden van de kinderen heen gaan is niet zo'n ramp het is intussen toch nog wel leuk om naar te kijken. Maar die preoccupatie met letters en cijfers heeft iets zielloos. Je kunt een driejarige alles uit het hoofd laten leren van reeksen nonsenswoorden tot en met de verbuiging van mensa. Toch hoor ik van een kind dat zo'n beetje voor zichzelf aan het zingen is liever 'Hop Marjanneke, stroop in 't kanneke' dan dat saaie alfabet.

Het zal voor de kinderen zelf niet eens iets uitmaken, vermoed ik, of ze nu het ene of het andere leren, of allebei, dat kan ook nog. Ze staan inderdaad open voor alles. Wat ik vervelend vind is de onuitgesproken gedachte van ouders, opvoeders en andere deskundigen dat het goed is om kinderen zo vroeg mogelijk nuttige dingen bij te brengen. In sommige 'educational toy shops' liggen lijsten met de ontwikkelingsfases van zuigeling tot kleuter. Bij elke fase hoort adequaat speelgoed en de meeste fases duren niet langer dan zes weken! Dat betekent om de zes weken terug naar die winkel voor de aanschaf van nieuw stimulusmateriaal. Dat speelgoed moet dan gedurende de zogenaamde 'quality time' tevoorschijn gehaald worden, zodat moeder (of vader) samen met kind kan werken aan het bereiken van nieuwe doelen. Het is om stilletjes bij weg te huiveren. Alleen al het idee om de tijd dat een ouder zich actief met het kind bemoeit 'kwaliteitstijd' te noemen, bestempelt het rommelen van datzelfde kind in de keuken met pannen en lepels, terwijl de ouder de aardappels staat te schillen, tot iets van een mindere orde.

Kwaliteitstijd is een met schuld beladen begrip. Ouders die er hun mond van vol hebben zijn ofwel degenen die veel weg zijn om hard te werken en de weinige uren thuis dan ook ten volle willen benutten in directe interactie met de kleine, ofwel juist degenen die hun baan hebben opgezegd om voor het kind te zorgen, 'omdat het opvoeden van een kind een full-time klus is'. In beide gevallen houdt kwaliteitstijd weinig anders in dan over het kind heen hangen in plaats van het zijn eigen gang te laten gaan, dingen met hem oefenen die hij een tijdje later uit zichzelf doet, kortom hem uit alle macht naar een volgende ontwikkelingsfase proberen te krijgen.

Van Bruno Bettelheim is de anekdote bekend (A Good Enough Parent) dat hij voor zijn zoontje een doosje had gekocht met blokjes in verschillende vormen die door de corresponderende gaten in het deksel geduwd moesten worden. Het zoontje haalde het deksel er steeds af, gooide alle blokken in de doos en ging er met een lepel in zitten roeren, alsof het een pan soep was. Uit frustratie over dit 'verkeerd gebruik' van het speelgoed (hij had er tenslotte elf dollar aan uitgegeven) plakte hij het deksel met plakband vast aan de doos in de hoop zijn zoontje te dwingen tot de 'juiste' speelwijze. Maar het kind vond er nu niks meer aan en Bettelheim zag in dat het flauw was om zijn zoontje de normen van hemzelf en een stuk speelgoed op te dringen in plaats van hem er op zijn eigen manier mee te laten spelen. En ontdekken dat een vierkant blok door een vierkant gat kan, gebeurt toch wel, al is het dan een paar weken later.

De markt voor nul- tot vierjarigen breidt zich gestadig uit. Er bestaat een deprimerende verscheidenheid in junk- en educatief speelgoed, waarbij het verschil tussen de twee categorieen vaak moeilijk te duiden is. Een pop die langs elektronische weg honderd verschillende zinnen kan uitspreken wordt aangeprezen als 'goed voor de ontwikkeling van de communicatie', maar mij lijkt zoiets eerder de verveemding in de hand te werken. Dan nog liever een plastic geweertje, waarbij de kleuter althans nog zelf de woorden 'pau, pau' moet uitspreken. Er zijn gymnastiekclubs voor de motorische vaardigheden en als je je kind op zijn derde nog niet op zwemles hebt gedaan, ontzeg je hem niet alleen plezier, maar ook zelfredzaamheid. Dat laatste is onzin, want hoe eerder je begint met een kind te leren zwemmen, hoe langer het duurt voordat hij het beheerst. En dat geldt voor alle vaardigheden onder de vier jaar. Het heeft geen enkele zin om daar druk op uit te oefenen, want welke gegadigde is ooit in een sollicitatiegesprek lastig gevallen met de vraag op welke leeftijd hij kon lopen, het alfabet onder de knie had of zelf zijn schoenveters kon strikken?