Patrick Dewael, minister van cultuur van Vlaanderen: Nederlanders en Vlamingen: dezelfde verantwoordelijkheid

BRUSSEL, 1 aug. Nederland en Vlaanderen moeten hun cultureel beleid integreren, vindt de minister van cultuur van de Vlaamse deelgemeenschap Patrick Dewael. Maar, zegt hij, 'als de ambtenaren van het Nederlandse ministerie van WVC volharden in hun denigrerende houding tegenover de Vlaamse cultuur, gaat Vlaanderen zijn eigen weg'.

'Denigrerend en beledigend' dat zijn de kwalificaties die Dewael (34) gebruikt voor de incidenten die zich het afgelopen half jaar maar ook vroeger al hebben voorgedaan in de Nederlands-Vlaamse betrekkingen. Neem het 'lijdensverhaal' van de Stichting voor Vertalingen (SvV), waaruit Vlaanderen zich in april terugtrok. Volgens Dewael kwam dat vooral omdat SvV-directeur Joost de Wit de Vlaamse literatuur 'systematisch onderbelichtte' bij de keuze van literair werk dat voor vertaling in aanmerking kwam. 'Er was een bepaald soort onwil. Voor de Stichting kon Hugo Claus er nog net mee door, maar dat was dan ook de enige in Vlaanderen. Die minachting is de oorzaak geweest van het ontploffen van de Stichting. Ik herinner me die vergadering nog goed. De Nederlanders stonden er op dat de heer De Wit zou aanblijven, wellicht in een andere functie, maar ik vind dat de oorzaak van het debacle van gisteren niet de redder van morgen kan zijn. Toen heb ik besloten de subsidie aan de SvV te staken, als teken dat Vlaanderen niet bereid is een Nederlands dictaat te ondergaan.' De laatste maanden is het klimaat tussen Vlaanderen en Nederland volgens Dewael overigens wel verbeterd. Het is niet voldoende vast te stellen dat er een grote culturele wisselwerking bestaat tussen beide landen. Volgens de cultuurminister van de Vlaamse deelregering komt het er nu vooral op aan dat Vlaanderen en Nederland een geintegreerd cultureel beleid opzetten. Dewael: 'De twee ministers van cultuur en de twee ministers van onderwijs dragen een levensgrote verantwoordelijkheid voor de culturele identiteit van Vlaanderen en Nederland in een Europese Gemeenschap die wel rijk is aan cultuur, maar juist omwille van de diversiteit. ' Daarbij denkt Dewael onder meer aan de promotie van de Nederlandstalige literatuur en gezamenlijke culturele projecten in het buitenland, maar ook aan een regeling van leenrecht in bibliotheken. ' Hij herinnert aan de bijeenkomst van het Algemeen Nederlands Congres, eind april in Brussel, toen een Haagse ambtenaar namens WVC-minister d'Ancona kwam vertellen dat er weliswaar een 'taalgemeenschap' bestaat tussen Nederland en Vlaanderen, maar geen 'cultuurgemeenschap'.

En dat hij niet geloofde in integratie. De diplomatieke rel die daarop ontstond moest door minister-president Lubbers gesust worden. Volgens Dewael hebben beide landen er in het toekomstige Europa alle belang bij als taal- en als cultuurgemeenschap zoveel mogelijk samen te opereren. Het Cultureel Akkoord van 1946 is daarom dringend aan actualisering toe. Volgens de minister lopen politici en ambtenaren achter bij de werkelijkheid. 'Het ambtelijk overleg is wel frequent, maar dat gaat niet over belangrijke dingen. Als het werkelijk gaat om het afstemmen van elkaars wetgeving of decreten, dan staan we nergens.'

Radicaal-liberaal

Toen Dewael vijf jaar geleden op deze post kwam, werd hij beschreven als 'een radicaal-liberaal' die zijn liberale ideeen op de cultuurpolitiek wilde toepassen. Wat is daarvan terecht gekomen? 'Die omschrijving dateert uit de tijd dat liberale jongeren een radicaal manifest opstelden waarin werd geeist dat het liberalisme in zijn pure en zuivere vorm werd geherdefinieerd. Het aanhoudend deel uitmaken van kabinetten met de christen-democraten werkte een zekere vervaging in de hand, een zekere kleurloosheid. Die wilden wij aan de kaak stellen. 'Toen ik hier kwam werd gevreesd dat er een eind zou komen aan ons culturele subsidiestelsel en dat alleen nog de wet van vraag en aanbod zou gelden. Ik heb echter altijd het accent gelegd op de kunstensector en dan specifiek op het aanmoedigen van de scheppende kunstenaar bijvoorbeeld met compositie-opdrachten, dramaturgie-opdrachten. 'Een tweede aspect is de vraagzijde.

Hebben we ons in het verleden wel voldoende de vraag gesteld of er voldoende mensen zijn die bereid zijn om cultuur te consumeren, om aan cultuur te participeren? Ik heb drie jaar geleden een enquete laten uitvoeren waaruit bleek dat een op de twee Vlamingen zonder meer stelde dat hij nooit een boek las. Niet af en toe, maar nooit. De cijfers voor het theaterbezoek en het operabezoek waren zo mogelijk nog onheilspellender. 'We hebben gezegd: voor de overheid is het niet genoeg een groot aanbod aan cultuur mogelijk te maken, je moet ook zorgen dat de potentiele klanten, de consumenten, maximaal van dat aanbod gebruik maken.' Daartoe voerde Dewael onder meer een actie onder de naam 'Vlaanderen leeft'. 'Tegen de Vlamingen zei ik: 'Jullie zouden eigenlijk trots moeten zijn op wat de cultuur uit het verleden betekent en op wat er vandaag allemaal gebeurt. Als je ziet dat een Anne Theresa de Keersmaeker doorbreekt in de Verenigde Staten, als je ziet dat een auteur als Hugo Claus gelezen wordt over de hele wereld, als je ziet dat een Jan Hoet gevraagd wordt om Dokumenta te leiden in Kassel, als je ziet wat het succes van het Ballet van Vlaanderen in Nederland is, stop dan eens met te kankeren en te denken dat de cultuur in Vlaanderen weinig of niets voorstelt.' Dewaels vroegere Nederlandse collega L. C. Brinkman heeft cultuur ooit beschreven als een 'glijmiddel' voor de commercie. Is hij het daar mee eens? 'Ik heb Elco Brinkman een jaar of drie gekend van menigvuldige contacten in de Taalunie en de Raad van Europa en de EG en ik kon het vaak met hem vinden op het gebied van de cultuur en de cultuurpolitiek. Hij is een christen-democraat, maar dat is in Nederland niet hetzelfde als in Belgie. Wat Brinkman waarschijnlijk bedoeld heeft, en daar kan ik het mee eens zijn, is dat je de cultuur niet moet isoleren. Er moet eigenlijk een wisselwerking zijn tussen cultuur aan de ene kant en economie aan de andere kant. 'Wij hebben altijd de stelling verdedigd dat cultuur de basisvoorwaarde voor een gezonde economie is.

Cultuur genereert creativiteit, als een maatschappij cultuur zou schrappen en verwaarlozen, dan zou daardoor het economische draagvlak worden ondergraven. 'Uit investeringen in de cultuur komen vaak interessante economische multiplicatoreffecten voort. Een overheid kan die twee naar het buitenland toe samenbrengen. Wanneer een relatief kleine gemeenschap als de Vlaamse met zes miljoen inwoners economische projecten uitbouwt in het buitenland, of cultureel projecten daar etaleert waarom zou je die twee dan niet samen kunnen brengen? Dat heb ik ook altijd bepleit in de Vlaamse regering: wij zijn het meest bekend door onze cultuur. Als wij dus trachten om economische prospectoren naar het buitenland uit te zenden, laten ze dan ook dat culturele visitekaartje even tonen.'