'Oprotpremie' buitenlanders blijft gevoelige kwestie

ROTTERDAM, 1 aug. Hoog laaiden de emoties in de jaren zeventig en tachtig op over de plannen om buitenlandse werknemers een financiele vergoeding te geven als ze definitief zouden terugkeren naar hun land van herkomst. Verontwaardigd werd gesproken van een 'oprotpremie', die slechts bedoeld zou zijn om op een goedkope manier van gastarbeiders af te komen.

Toch kwamen er in 1985 twee landelijke 'remigratie-regelingen voor buitenlandse werknemers'. Zo'n 12.000 mensen hebben daar sindsdien gebruik van gemaakt. Dat is minder dan aanvankelijk was geraamd, maar mislukt zijn de regelingen zeker niet, stellen het Nederlands Centrum voor Buitenlanders (NCB) en het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid eenstemmig. 'De opzet is uitdrukkelijk niet wervend of stimulerend', zegt mr. J. H. Schutjes, directeur migratie van Sociale Zaken. 'Het initiatief moet van de mensen zelf uitgaan. De fundamentele doelstelling is dat terugkeer moet gebeuren op basis van vrijwilligheid.' M. Rabbae, directeur van het NCB: 'Er was geen kwantitatieve doelstelling. Als er een buitenlander van de regeling gebruik maakt vind ik dat prima, als het er tienduizend zijn ook. Als het maar vrijwillig gebeurt.' Turken en Marokkanen maken het meeste gebruik van de regelingen, maar het aantal Turken en Marokkanen dat in Nederland woont is sinds 1985 niet afgenomen. In 1985 woonden er 155.600 Turken in Nederland en 111.300 Marokkanen, het afgelopen jaar 176.500 Turken en 139.200 Marokkanen. Terwijl de neiging zich tot Nederlander te laten naturaliseren toeneemt en men dan uit de nationaliteitsstatistieken verdwijnt. In 1985 lieten 2.220 Turken zich naturaliseren tot Nederlander, het afgelopen jaar waren dat er 3.280. Het aantal Marokkanen dat de Nederlandse nationaliteit kreeg bedroeg 1.605 in 1985 en 6.830 het afgelopen jaar. Vanaf het begin van de jaren zestig wierf het Nederlands bedrijfsleven, gevolgd door de overheid, actief buitenlandse arbeidskrachten in het Middellandse-Zeegebied. Maar in de jaren zeventig werd duidelijk dat de krapte op de arbeidsmarkt omsloeg in een situatie van overaanbod en werkloosheid. Tegelijk bleek dat de buitenlandse werknemers zich steeds meer permanent in Nederland vestigden.

In de politiek begon men langzamerhand na te denken over integratie in de Nederlandse samenleving en ook over terugkeer. 'Maar met name uit groepen buitenlanders zelf kwam het verzoek om enige vorm van overheidssteun bij terugkeer', zegt Schutjes met nadruk.

Het NCB pleitte in de jaren zeventig voor de mogelijkheid van vrijwillige terugkeer met perspectief op werk, stelt Rabbae. 'Dat was de benadering van het toenmalige kabinet-Den Uyl: remigratie als werkgelegenheidscreatie. In de zogenoemde wervingslanden moesten banen worden geschapen.' Die gedachte werd uitgewerkt in het Terugkeer Project Programma, waarbij buitenlanders die terugkeerden in aanmerking kwamen voor zachte leningen als beginkapitaal voor het opzetten van een bedrijf. Een kwart van de investering moest de begunstigde zelf inbrengen. Volgens Rabbae zijn zo meer dan duizend kleine ondernemingen opgezet, veel tuinbouw-, pluimvee- en andere agrarische bedrijven, maar ook bakkerijen en aannemerijen.

Maar het programma werd stopgezet omdat het te duur bleek en in veel gevallen niet succesvol was. Eerder al was een plan gesneuveld (nog voor het in de praktijk was gebracht) om iedere migrant bij terugkeer 5.000 gulden mee te geven. De maatschappelijke en parlementaire weerstand tegen deze eenmalige afkoopsom, zonder perspectief op werk in het vaderland, was te groot.

Ook het particuliere bedrijfsleven kwam met een terugkeerpremie. Philips, Hoogovens, NKF en Thomassen en Drijver-Verblifa (TDV) betaalden buitenlandse werknemers die bij reorganisaties moesten afvloeien eenmalige bedragen van 15.000 tot 35.000 gulden als ze terugkeerden naar hun land van herkomst. In totaal zijn zo naar schatting enkele honderden, veelal ongeschoolde buitenlanders teruggekeerd.

Maar ook daaraan kwam geleidelijk een eind toen de twee overheidsregelingen van kracht werden: de Ouderenregeling en de Basisregeling. De Ouderenregeling biedt werkloze of arbeidsongeschikte Joegoslaven, Kaap-Verdianen, Marokkanen, Portugezen, Spanjaarden, Surinamers, Tunesiers en Turken van vijftig jaar of ouder de mogelijkheid terug te keren met een uitkering waarvan de hoogte is afgestemd op de koopkracht in het betreffende land. In de praktijk is de nieuwe uitkering lager dan de uitkering in Nederland. Ook vluchtelingen en asielgerechtigden kunnen van de regeling gebruik maken.

De Basisregeling kent geen leeftijdsgrens, en geeft naast verhuiskosten gedurende drie maanden recht op een uitkering. Voor een gezin dat naar Marokko teruggaat bedraagt die 1.080 gulden per maand. Sinds 1985 hebben in totaal zo'n 5.500 mensen van de Ouderregeling gebruik gemaakt en 6.500 van de Basisregeling. 'Beide regelingen worden nog volop gebruikt', aldus Schutjes. Vijf consulenten van de Stichting Remigratie Buitenlandse Werknemers hebben een volledige dagtaak aan het verstrekken van voorlichting over de voor- en nadelen van de regelingen.

Over de achterliggende doelstelling van het remigratiebeleid heeft altijd veel onduidelijkheid bestaan. Moesten de regelingen op een goedkope manier buitenlanders die een uitkering genoten afkopen, opkomend racisme de wind uit de zeilen nemen of mensen helpen wier enige band met Nederland nog was dat ze er een uitkering kregen? Rabbae: 'Er waren politici die migranten oprecht wilden helpen met een toekomstperspectief terug te keren naar hun vaderland. Maar anderen zagen remigratie in de eerste plaats als een manier om iets te doen aan de groeiende intolerantie jegens buitenlanders, om zoals men zei: de tijdbom te demonteren.' Hoewel Rabbae de nu bestaande regelingen positief beoordeelt, zeker in vergelijking met de regelingen in andere Europese landen, heeft hij toch zijn bezwaren. 'Wie besluit om te remigreren, maakt bij de huidige regelingen een definitieve keuze, hij kan niet meer terug. Wij bepleiten dat mensen binnen drie jaar weer naar Nederland terug mogen komen als het tegenvalt. Dan zullen meer mensen het erop durven wagen.' Volgens Schutjes is de mogelijkheid voor spijtoptanten om weer naar Nederland terug te keren 'overwegend om juridisch-technische redenen' uitgesloten. Maar hij wijst erop dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft voorgesteld niettemin een streng geclausuleerde terugkeeroptie in te stellen. 'De uitwerking daarvan is nu in onderzoek.' Ter illustratie van het belang dat de overheid hecht aan het beroepsperspectief van remigranten wijst hij op het zogeheten 'toerustingsbeleid', gericht op jonge werkloze Turken, Marokkanen en Arubanen. 'Met toerusten bedoelen we het verhogen van iemands waarde op de arbeidsmarkt. Zo hebben we een 'pilot project' met een groep jonge Turken. In Nederland hebben ze een opleiding bij de Stichting Vakopleiding Horeca gedaan, waarna ze in een hotel in Turkije stage hebben gelopen. Met Turkse hotels is de afspraak gemaakt dat ze daar gegarandeerd aan de slag kunnen.' Na de zomer zal het ministerie de Tweede Kamer berichten over de resultaten van dit remigratie-project. Duidelijk is nu al dat van de 86 Turkse jongeren die aan het project zijn begonnen, 65 hun examen hebben gehaald. Maar de stage blijkt door slechts ongeveer de helft van de deelnemers te zijn voltooid. Sinds de diploma-uitreiking in januari heeft nog niet een van de deelnemers besloten te remigreren.