MINIDEE

De afgelopen weken namen de fractievoorzitters van de twee regeringspartijen vast een voorschot op de komende Algemene Beschouwingen. CDA-leider Brinkman beklaagde zich in het denkblad van zijn partij over het topzware Haagse apparaat en pleitte voor een meer terughoudende rol van de overheid, daarbij veronderstellend dat een deel van de nu door het staatsapparaat vervulde taken min of meer spontaan zou worden overgenomen door de 'basis' en organisaties uit het maatschappelijke middenveld.

Die veronderstelling is tamelijk wereldvreemd, zoals onder anderen werd benadrukt door PvdA-voorman Woltgens, die zijn coalitiegenoot afgelopen zaterdag in deze krant stevig van repliek diende. Terecht wees de sociaal-democraat erop dat Nederland in vergelijking met andere landen geen bijster omvangrijk ambtenarenapparaat bezit. De cijfers spreken voor zichzelf.

Dertig jaar geleden was met de salarissen en sociale lasten van het overheidspersoneel tien procent van het nationale inkomen gemoeid. Dit jaar is dat elf procent, slechts een procentpuntje meer. De overheidsaankopen in de marktsector (bij voorbeeld voor investeringen in wegen en gebouwen, voor de aankoop van oorlogstuig, computers en papier) beliepen in 1960 negen procent van het nationale inkomen, dit jaar acht procent. Door de ambtenarensalarissen en de overheidsaankopen samen te nemen, vinden we het beslag dat de overheid op de nationale middelen legt voor de produktie van publieke goederen en diensten. De afgelopen dertig jaar bleef dit beslag gelijk: ondanks de in omvang toegenomen staatstaken was zowel in 1960 als in 1990 met salarissen en overheidsaankopen krap een vijfde van het nationale inkomen gemoeid.

In de periode 1960-1990 zijn de publieke uitgaven desondanks omhoog geschoten, van 39 tot 62 procent van het nationale inkomen. Die forse uitgavengroei wordt echter volledig verklaard door de spectaculaire toename van de inkomensoverdrachten (sociale uitkeringen en subsidies). Dertig jaar geleden werd vijftien procent van het nationale inkomen via de schatkist en de sociale verzekeringen herverdeeld. Dit jaar is dat liefst 36 procent! Daarenboven zijn de rentebetalingen over de sterk gezwollen staatsschuld ruimschoots verdubbeld, tot bijna zeven procent van het nationale inkomen.

Wie de greep van de overheid op economie en samenleving te groot vindt, moet zijn pijlen dus niet primair richten op het aantal ambtenaren (al valt daar heel wat te wieden), maar moet het mes allereerst in de uitkeringen en de rentelasten zetten.

Dat is niet eenvoudig. De rentelasten kunnen pas heel geleidelijk omlaag, door de jaarlijkse tekorten zo snel mogelijk terug te dringen en door te experimenteren met indexleningen. Woltgens wil zich 'thans niet al te zeer concentreren op het financieringstekort'.

Het zal ongetwijfeld verband houden met zijn karakter, dat wordt gekenmerkt door grote blijmoedigheid, maar het lichtvaardig accepteren van (te) hoge tekorten in het verleden vormt juist een van de hoofdoorzaken dat staatsschuld en rentelasten thans zo hoog zijn opgelopen. Nu de economie al een aantal jaren groeit en bloeit, moet het tekort snel omlaag. De PvdA-voorman concentreert zich echter liever op een lijstje geldverslindende taken waaraan de overheid zijns inziens thans onvoldoende geld spendeert.

Bezuinigingen zijn onvermijdelijk, zowel om het tekort op de rijksbegroting te verminderen als om financiele ruimte voor nieuwe overheidstaken vrij te maken. Die bezuinigingen zullen hoofdzakelijk moeten worden gevonden bij de inkomensoverdrachten.

De aangekondigde, bescheiden vermindering van een aantal subsidies stuitte vorige week al op furieus verzet van de meest getroffen groepen. Hopelijk krijgen de Haagse beleidsmakers geen slappe knieen. Vooral de subsidies voor de volkshuisvesting, de landbouwsector en cultuur kunnen krachtig worden aangepakt. Toch zet de aanpak van subsidies onvoldoende zoden aan de dijk die het stuwmeer van publieke uitgaven in bedwang houdt. Het meeste geld dient dus te worden gevonden bij de sociale uitkeringen. Dat weet Woltgens ook wel. Hij bepleit daarom initiatieven waardoor werklozen en arbeidsongeschikten weer aan de slag komen.

Zulke initiatieven, hoe nodig ook, zijn onvoldoende. Behalve het aantal uitkeringsontvangers moet ook het uitkeringspeil worden aangepakt. Het sociaal minimum kan daarbij worden ontzien. In 1984 lanceerde Woltgens - samen met de huidige onderwijsminister Ritzen - een plan dat het mogelijk maakte op de uitkeringen vele miljarden te bezuinigen. Nederland zou daartoe moeten overgaan op een 'ministelsel' waarbij uitsluitend het sociaal minimum collectief zou worden verzekerd. Burgers zouden zich voor bovenminimale uitkeringen desgewenst prive kunnen bijverzekeren. Misschien kunnen de meest betrokken partijgenoten dat oude rapport deze week nog eens uit een stoffige lade vissen. De invoering van een ministelsel zou een belangrijke bijdrage aan de noodzakelijke sociale en financiele vernieuwing van Nederland betekenen.