Liberia

DE KOELBLOEDIGE moord op circa zeshonderd in een kerk verzamelde vluchtelingen afgelopen maandag in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia heeft de internationale diplomatie opgeschrikt. De slepende burgeroorlog tussen het leger van president Doe en de rebellen van Charles Taylor dreigt als gevolg van een schisma in de opstandige beweging over te gaan in een gewapend conflict tussen verzetsgroepen onderling. Bovendien slaat de geslonken en ingesloten aanhang van Doe wild om zich heen zoals de schietpartij in de kerk aantoonde. Er is dus alle reden voor bemoeienis van buitenaf.

De Amerikanen die eerder maar tevergeefs bemiddelden trachten nu een initiatief uit te lokken van de Verenigde Naties. Maar hoe dat initiatief er uit zou moeten zien en hoe het resultaat zou moeten opleveren, is onduidelijk. Een gespreksronde van secretaris-generaal de Cuellar of van een andere VN-vertegenwoordiger met partijen is denkbaar, maar zolang de militaire situatie zich niet consolideert, mag hooguit op een tijdelijk bestand worden gerekend dat buitenlandse en binnenlandse vluchtelingen in staat stelt zich buiten de gevechtszone(s) in veiligheid te brengen. Op humane gronden zou dat van groot belang zijn, maar voor het verdere beloop van de gewapende strijd waarschijnlijk zonder betekenis.

DE TOESTAND in Liberia stelt opnieuw het vraagstuk van interventie in het licht. Om de diplomaten van de Verenigde Naties een kans van slagen te geven dient er een aanknopingspunt te zijn. In Namibie was dat de bereidheid van partijen hun geschil bij te leggen, in de Afghaanse oorlog was dat het verlangen van de Sovjet-Unie zich van het conflict te bevrijden. Maar de gebeurtenissen in Liberia verwijzen eerder naar Libanon waar UNIFIL een onopgemerkt bestaan leidt. De VN-vredesmacht wordt er gedoogd, van enige invloed van de Volkerenorganisatie op de vele conflicten die het land verscheuren is geen sprake.

Ooit hebben blauwhelmen gewapenderhand in een Afrikaans land ingegrepen. Het voormalige Belgische Kongo (nu Zaire) behield in de eerste helft van de jaren zestig met hulp van de VN zijn eenheid. Maar de Volkerenorganisatie zelf overleefde deze krachttoer nauwelijks en van een herhaling is dan ook geen sprake geweest. In Liberia is het aanknopingspunt voor bemoeienis van buitenaf moeilijk te vinden. De Cuellar zou vandaag een gesprek hebben met de Liberiaanse ambassadeur bij de VN, maar de betrokken diplomaat zal de verwarring die over zijn land bestaat niet kunnen ophelderen, zolang de strijd niet is beslecht.