DE NACHTZWALUW

Dit is iets voor een lange zomeravond, een avond van dralende hitte en snelle insekten. Zo'n avond gaat de zon niet onder. Zij dooft uit. Zij verdwijnt in bleke sluiers die onweer beloven, maar misschien de volgende ochtend pas.

Eerst hebben we een eind gelopen. Bos, heuveltjes, hier en daar een kleine zandverstuiving. Mensen zijn we in geen uren tegengekomen, maar ze zijn er nog wel, in de verte zoemt een autoweg.

We hebben een edelhert gezien. Hij hief zijn bescheiden gewei en staarde kauwend terug. Ten slotte ging hij, uit beleefdheid scheen het, toch maar op de loop. We hebben boomleeuweriken en een gekraagde roodstaart gehoord. Op een gegeven moment was de lucht vol kriskrassende zwaluwen en het volgende weer leeg.

Rob heeft zich gestoord aan het geluid van een pas uitgevlogen jonge havik. Hij weet altijd alles van de haviken in dit terrein, maar nou blijkt hij toch een nest gemist te hebben. 'Dat is balen', zegt hij met nadruk. Dat is niet makkelijk mee te voelen, op zo'n mooie avond.

Nu zitten we aan de rand van een open plek. In de schemering ligt de glans van bochtige smele. Rob mompelt dat het hier wel erg aan het vergrassen is. 'Laten we maar de kant van die boomleeuwerik opgaan; dat betekent dat het daar schraler is.' We steken over en komen bij de volgende open plek. Daar overheerst inderdaad het mos. Het omringende geboomte lost op in duisternis, berken het laatst. Dan zingt alleen nog maar een roodborstje.

Ergens slaat een vogel alarm. Rob steekt zijn vinger op. 'Merel. Tsjuk-tsjuk. Grondpredator.' U denkt misschien: ze merken alles, die mannen. Dat is natuurlijk onzin. Ons ontgaat heus wel wat, maar daar schrijven we niet over. Er verstrijkt een kleine eeuwigheid, waarin weinig meer gebeurt dan dat een verkoelend windje opsteekt. Dan, als de tijd tot stilstand lijkt gekomen, vernemen we een nachtzwaluw. Nogal in de verte.

We gaan, gehaast maar zwijgend, door het bos. In de lucht hangt een nuttige maan. Af en toe blijven we staan om te luisteren.

Zo bereiken we weer een open plek. Je kunt de sikkel van een zandverstuiving onderscheiden, en de rafelige rand van bomen die pikzwart in de hemel steken.

De nachtzwaluw vliegt in silhouet om ons heen. Zo groot als een duif, maar met lange, afgeronde vleugels, die hij ritmisch tegen elkaar slaat. En opeens is het 1953, hartje winter, toen de melkboer langskwam met zijn wagen; hij droeg handschoenen zonder vingers en sloeg zich de handen warm op zijn rug. Dat geluid.

Zijn vlucht is dansend, alsof hij vanzelf ook wel in de lucht zou blijven en eigenlijk alleen voor zijn plezier de vleugels beweegt.

Na zijn demonstratieve rondgang, verdwijnt de vogel in het donker. Weldra laat hij, of een ander, zijn roep horen: het ratelen van de nachtzwaluw. Het houdt zo lang aan, dat je alleen al van het luisteren buiten adem raakt. Nu en dan reutelt hij even, maar vervolgens gaat het zingen net zo vrolijk verder. Het klinkt rollend. De nachtzwaluw rolt in deze wereld een eindeloos tapijt uit.

In dit wonderbaarlijke gefluit valt uiteindelijk een glashelder moment van stilte, dat de vogel gebruikt om zich te verplaatsen. Wat van links kwam, komt daarna van rechts, daarna van boven, daarna van de grond, vlak voor onze voeten.

Voor de achteruitgang van de nachtzwaluw kan een dozijn aannemelijke verklaringen worden aangevoerd. Dus men weet het niet. Hij weet het zelf natuurlijk wel, maar laat zich er niet over uit. Te druk met ratelen. Of misschien heeft hij gewoon geen zin in al die controverses over natuurbehoud in Nederland.

Er zit weinig toekomst in het nachtzwaluwenbestaan. Toch is dit het enige wat het dier kan zijn: nachtzwaluw. En hij is het met volle overtuiging. Ontroerend.

Uit dergelijke situaties vertrek je altijd met het gevoel dat het nog niet afgelopen was. Na middernacht neem ik de A12 naar het westen. Het is zo'n nacht met vakantieverkeer. Ik zit naar de dubbele sliert van koplampen te turen en vraag me af of er nog iemand anders op de weg is die aan nachtzwaluwen denkt.

Ze houden van asfalt, tenminste wanneer dat na een zomerdag tot diep in de nacht zo lekker warm blijft. Bij het opdoemen van een auto vertrouwen ze op hun schutkleur, het prachtige boomschorseffect van hun verenkleed. Ze drukken zich nog wat vaster tegen het wegdek en knijpen hun oliezwarte ogen toe.