d'Ancona's cultuurtheorie op zand gebouwd

'Tussen Nederland en Vlaanderen bestaat wel een taalgemeenschap, maar geen cultuurgemeenschap.'

Dat was de boodschap die minister d'Ancona van WVC eerder dit jaar in Brussel door een van haar ambtenaren liet voorlezen. Dit geschiedde tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het Algemeen Nederlands Congres, een overkoepelend orgaan van zo'n 200 verenigingen, universiteiten en andere instellingen die zich bezighouden met Nederlands-Vlaamse samenwerking.

Niet alleen de inhoud van de boodschap viel slecht in Nederlandse en Vlaamse kringen, ook het feit dat de minister het niet nodig had gevonden zelf te komen, wekte veel irritatie, te meer omdat Belgische bewindslieden, zelfs de Belgische commissaris in de Europese Commissie, wel aanwezig waren. We weten nu dat haar ambtenaren de minister hadden ontraden naar Brussel te gaan. Dat bevestigt de mening dat haar culturele topadviseurs een anti-Belgische en in het bijzonder een anti-Vlaamse instelling hebben.

Het incident leidde tot Belgische diplomatieke stappen en tot ingrijpen van de Nederlandse minister-president, die bij herhaling lippendienst had bewezen aan de zaak van de Nederlands-Vlaamse culturele samenwerking. Minister d'Ancona beloofde haar Vlaamse collega meer aandacht te schenken aan die samenwerking, en haar collega van onderwijs, Ritzen, hield enkele weken later een rede op de universiteit in Gent over samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek waarin hij overigens weer uitgleed op het glibberige pad van het taalprobleem.

Minister d'Ancona heeft intussen een poging ondernomen, als antwoord op de veelvuldige kritiek op de voordracht in Brussel zo schreef columnist Heldring in dit verband over 'prietpraat' en 'het cultuurtje van de ambtenaren van WVC' haar stelling theoretisch te onderbouwen. Zij deed dit op 6 juni in een toespraak bij de opening van het uitgebreide Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Leeuwarden.

Die toespraak is helaas de landelijk verschijnende media in Nederland en Vlaanderen ontgaan, wat eveneens geldt voor de reacties van de Friezen die zich van hun eigen cultuur bewust zijn. Zo publiceerde de Leeuwarder Courant een redactioneel commentaar onder de kop 'Minister d'Ancona zet een kleintje in de hoek'. Het regende protesten bij culturele instellingen en Kamerleden, en in de Eerste Kamer stelde mevrouw Tiesinga (D66) vragen, die slechts een zwak verweer opriepen. Wat had mevrouw d'Ancona in Leeuwarden gezegd? Zij had een hierarchisch gestructureerde 'grammatica' (haar eigen term) van culturen opgesteld. Zij onderscheidt achtereenvolgens: taalgebonden cultuur (en deelt de Friese cultuur in deze groep in), cultuur die berust op nationale lotsverbondenheid (geen voorbeeld), cultuur die zowel op taalgemeenschap als op nationale lotsverbondenheid berust (de Noordnederlandse), vervolgens 'supranationale' cultuur (de Europese) en ten slotte 'tussenstatelijke' cultuur (de Noord- en Zuidnederlandse). Dit theoretische staketsel is op zand gebouwd en de uitleg die de minister eraan geeft, rammelt dan ook aan alle kanten. Op zand gebouwd: de grondfout van deze constructie is dat er een hierarchie van culturen wordt opgebouwd, dat, met andere woorden, kwantiteit met kwaliteit wordt verward, maar ook dat weer niet consequent. Want in deze hierarchie staat niet de, wat genoemd wordt 'supranationale' cultuur of de 'tussenstatelijke' cultuur bovenaan, maar de 'inherent sterkere' nationale cultuur, 'zulks op grond van een grotere lotsverbondenheid die zijn grond heeft in de gemeenschappelijke geschiedenis van de landgenoten'.

Waar de minister van had moeten uitgaan, is de principiele gelijkwaardigheid van alle cultuurgemeenschappen, groot en klein, de Friese en de Nederlandse en de Duitse.

Ook haar criteria voor een 'cultuur' deugen niet. Taalverbondenheid vindt zij een belangrijke factor, maar de sterkste band is in haar ogen historische lotsverbondenheid. Dat is te weinig en te veel. Te weinig omdat er naast taalverbondenheid ook andere culturele verbondenheid kan bestaan, en meestal bestaat, zoals gemeenschappelijke tradities, gebruiken en zeden. De Friese cultuur bestaat door deze brede verbondenheid en niet alleen door een gemeenschappelijke taal.

En hoe staat het met die lotsverbondenheid? Die is ongetwijfeld van belang voor de vorming van een natie, maar is dat een fundamenteel cultureel bindmiddel? Heeft de lotsverbondenheid van het Franse volk een culturele eenheid van Frankrijk gemaakt? Nog steeds vechten Frans-Vlamingen, Bretons, Basken, Catalanen, Corsicanen en Elzassers voor hun eigen culturele autonomie. Aan de andere kant heeft gebrek aan lotsverbondenheid van de Duitsers niet het ontstaan van een Duitse cultuur (voor 1871) belemmerd, een cultuur die ook al lang ver buiten de latere landsgrenzen bestond: Oostenrijk, Duits-Zwitserland, de Elzas, streken en steden in Midden-Europa.

De tweede zwakke stee in het fundament van d'Ancona's bouwsel is dan ook dat zij de 'nationale cultuur', en dat komt neer op de cultuur van het machtscentrum in het desbetreffende land (zie Frankrijk, Groot-Brittannie, Spanje, de Sovjet-Unie tot voor kort), tot de hierarchisch hoogste rekent. Dat is niet alleen cultuur en politieke zwaarte van een bepaald deel van de bevolking van een land verwarren, het is ook een merkwaardig standpunt in relatie tot de Europese integratie. Immers, wat is die integratie anders dan een geleidelijke opheffing van de nationale staat? Mevrouw Thatcher begrijpt dat heel goed en verzet zich ertegen.

Nederland heeft deze uiteindelijke consequentie aanvaard. Maar als wij in de eindfase van de Europese integratie, wanneer de beoogde economische, monetaire, sociale en politieke unie, en misschien ook defensie-unie, tot stand zijn gekomen, ontbloot zullen zijn van nationale grenzen waar staat dan die 'nationale' Nederlandse cultuur? De minister kan optimistisch of is het lichtvaardig? in dezelfde Leeuwarder rede zeggen dat zij zich niet zoveel zorgen maakt over 'de bedreigingen die van Europa na 1992 op de culturen uitgaan'.

Ja, bij de voortschrijdende integratie zal de waarde van nationale culturen en taalculturen hoger geschat worden en zal cultuur als eigenheid sterker en dieper beleefd worden. Aldus de minister, die nog maar kort geleden een studie uit eigen huis presenteerde, die duidelijk aantoonde dat er uit het Europa van na 1992 allerlei bedreigingen voor onze nationale cultuur uitgaan, vooral waar die taalgebonden is! Inconsequenties aan alle kanten.

Nee, er is maar een conclusie mogelijk: na 1992 moeten Nederland en Vlaanderen gezamenlijk de Nederlandse cultuur vrijwaren voor de bedreigingen die vooral op de kleinere cultuurgemeenschappen afkomen; van economische aard: het marktmechanisme werkt ten nadele van de kleineren; van psychologische aard: de laatdunkendheid van de groteren tegenover de kleineren (inclusief die van Nederland tegenover Vlaanderen en Friesland); en ten slotte de bedreiging die uitgaat van de Europese Commissie, die de brede zone tussen economie en cultuur met economische argumenten penetreert.

Opnieuw: hoe valt 's ministers Europese zorgeloosheid te rijmen met haar uitspraak dat 'nationalisme cultureel gezien onontbeerlijk' is? Het betoog van de minister wemelt van zulke inconsequenties, van slordige formuleringen en van aanvechtbare stellingen.

Tot die laatste categorie behoort haar definitie van de 'Europese cultuur' als supranationale cultuur, die opgebouwd zou zijn uit nationale culturen. Is de Friese cultuur, zijn alle regionale culturen soms geen bestanddeel van een Europese cultuur? Ik laat nu maar in het midden of er wel een Europese cultuur bestaat. Volgens mij niet. Men kan wel van een Europese beschaving spreken, opgebouwd uit een zeer groot aantal lokale, regionale en desnoods nationale culturen. Het toekomstige Europa zal dan ook een Europa der regionale culturen moeten zijn, groot en klein naast elkaar, verenigd in een confederaal bestel (dat wil zeggen, in vrijwillige samenwerking), geregeld door een culturele grondwet (handvest, gedragscode), waarvan het eerste artikel de principiele gelijkwaardigheid van alle cultuurgemeenschappen zal moeten vastleggen: van de Friese naast de Nederlandse (Noord- en Zuid-), van de Bretonse naast de Franse, enzovoorts.

Het is op zichzelf prijzenswaardig dat er op WVC over deze zaken wordt nagedacht; op het ministerie waar dat in eerste aanleg zou moeten gebeuren, Buitenlandse Zaken, laat men helemaal verstek gaan. Maar dan moet er wel zuiver gedacht worden en moet men niet proberen met krakkemikkige theoretische bouwsels een verkeerd beleid te schragen. Dan zou men op WVC ook eens diep moeten nadenken over de titel boven een beschouwing over het afgelopen Nederlandse theaterseizoen, in Vrij Nederland van een paar weken geleden: 'Wat zou toneel in Nederland zijn zonder de Vlamingen?'