Bonns krediet van 10 miljard voor DDR is al opgesoupeerd

BERLIJN, 1 aug. Hellmuth Frohlich, directeur van de Interhotels van de DDR, vecht terug. Had hij vorige week juist overeenstemming bereikt over de 100-procentsoverneming van de 34 Interhotels door de Westduitse Steigenberger-groep, komt me daar de 'Treuhandverwaltung' en dringt op zijn aftreden aan.

De uit Westerse economische kopstukken bestaande 'Voogdijraad' die de 8.000 staatsbedrijven van de DDR moet privatiseren of sluiten, meent dat de monopoliepositie van Interhotel niet onder een Westeuropese eigenaar moet worden voortgezet, en beschuldigt Frohlich min of meer van het onderhands verkopen van voormalig DDR-staatsbezit.

Maar directeur Frohlich, onder het oude regime al hoog in het DDR-hotelwezen en nu directeur van het tot naamloze vennootschap omgebouwde staatsbedrijf Interhotel, denkt niet aan aftreden. En hij heeft het personeel achter zich, dat gisteren in Oost-Berlijn, gekleed in kokskostuum en kamermeisjes-uniform demonstreerde tegen een mogelijk verbod op de overneming. 'Wij willen een zekere arbeidsplaats', stond op hun spandoek. Weliswaar zullen zij 13.000 man en vrouw sterk aanvankelijk niet meer verdienen dan 63 procent van het salaris van hun collega's in de Steigenberger-hotels, maar het concern heeft beloofd overtollig Interhotel-personeel met voorrang aan te stellen in de Westerse poot van het nieuwe concern. Met warme stem kon Hellmuth Frohlich dan ook tegenover de DDR-televisie verklaren 'dat het mij in de eerste plaats gaat om de arbeidsplaatsen voor onze mensen'.

'Wij willen niet dat Westduitse of Westerse ondernemingen alleen maar de krenten pikken uit de DDR-economie', verklaarde intussen de voorzitter van de 'Treuhandverwaltung', ex-Bundesbahn-directeur Reiner Gohlke, op zijn persconferentie. Over de positie van Frohlich en over het al of niet doorgaan van de overneming lijkt nu een juridische strijd te worden gestreden waarvan de afloop, gezien de rammelende toestand van de wet- en regelgeving in de DDR, lang niet vaststaat.

De 'Treuhandverwaltung' houdt vast aan haar oorspronkelijke opzet voor de privatisering van de DDR-economie: de 8.000 veelal zeer omvangrijke staatsbedrijven (hier overigens VEB's oftewel Volkseigene Betriebe geheten), die inmiddels tot naamloze vennootschappen zijn omgevormd, krijgen acht of meer holdingmaatschappijen boven zich. Die holdings zullen dan bedrijven die helemaal geen toekomst meer hebben sluiten, en de rest zullen zij proberen te verkopen aan Westerse investeerders, en dat allemaal in een mix van rendabel en minder rendabel, of, zoals gezegd: bij elke portie krenten ook een bord pap. Vanaf oktober, wanneer minimaal inzicht is verkregen in de huidige positie en rendementsverwachtingen van de bedrijven, zal het hele proces van start gaan.

Als er nog iets te verkopen valt, tenminste. Want de heer Gohlke kwam na enige opmerkingen over de 'weg die wij gaan en die niemand voor ons heeft betreden', al vlug tot de kern van zijn betoog: de Westduitse regering moet ijlings met tientallen miljarden overbruggingskrediet over de brug komen, als het de bedoeling is dat er per 1 oktober nog een DDR-bedrijfsleven bestaat. De 10 miljard die Bonn in het tweede halfjaar van 1990 had gereserveerd voor zogeheten 'liquiditeitskredieten', zijn al op. 'De DDR-bedrijven gebruiken alle inkomsten en kredieten om hun personeelskosten te betalen', aldus Gohlke. 'Voor zover bedrijven nog aan elkaar leveren, betalen zij geen rekeningen', onthulde Gohlke ook. 'De DDR is het land van de onbetaalde rekeningen'.

Daardoor, zo mag men veronderstellen, wordt het er niet eenvoudiger op om de waarde van bedrijven en de hoogte van verwachte rendementen vast te stellen.

En het wordt nog erger, want de vraag naar DDR-produkten neemt verder af en zakt in veel gevallen tot nul, zowel tussen bedrijven onderling als bij de Oostduitse consument. De Berlijnse elektronicafabriek 'Elektrowerke Berlin' (800 werknemers) bijvoorbeeld liet gisteren weten voor het vierde kwartaal 1990 helemaal geen orders meer in portefeuille te hebben.

Een ander voorbeeld is de oude fabriek in, of zeg maar gerust de hele stad Zwickau. Met enig vertoon is daar vorige week een eind gemaakt aan de produktie van de beroemde Trabant met tweetaktmotor. Het bedrijf heeft van de Westduitse Volkswagenfabrieken het ontwerp voor een schoner viertaktmotortje gekocht en dat wordt nu vlijtig in de beroemde carosserie van kunststof geplaatst. Vergeefs, naar het lijkt. Met geld toe is de Oostduitse consument er niet toe te bewegen zich ooit nog een Trabant aan te schaffen. 'We staan voor een reusachtig probleem waar niemand op had gerekend', vatte Gohlke de situatie samen: 'DDR-produkten blijken nagenoeg onverkoopbaar.' Voorzover er een markt voor is, is er meestal geen kostendekkende produktiemogelijkheid. De ook bij ons bekende Pentacon-camera's, eenvoudig maar degelijk en te koop voor niet meer dan 250 gulden, zouden bij een realistische kostprijsberekening meer dan 1.000 gulden moeten opbrengen. Die fabriek gaat dus meteen dicht.

Gohlke's oproep aan het thuisfront in Bonn om ijlings de beurzen voor de DDR open te trekken, sluit aan bij soortgelijke verlangens van de DDR-regering, die inmiddels ook al de bodem van schatkist 1990 in het oog krijgt, al was het maar door de teleurstellende belastingopbrengsten in de DDR. Wat baat immers de sinds 1 juli ingevoerde BTW zonder omzet? De minister van sociale zaken, Regine Hildebrandt, deed gisteren een soortgelijke, niet minder prangende oproep, waarbij zij wees op de veel sneller dan verwachte stijging van het aantal ontslagen en naar de dito toenemende omvang van de arbeidstijdverkorting. Er dreigt anders 'ernstige sociale onrust', zei de minister, en daarmee vertolkte zij overigens een in de DDR alom levend gevoel. Johann Gaddun, de in de DDR verantwoordelijke functionaris van de Bundesbank, de Westduitse centrale bank, die sinds de invoering van de D-mark een maand geleden ook voor geldzaken van de DDR verantwoordelijk is, liet gisteren een waarschuwend woord horen. 'De liquiditeitskredieten van 10 miljard zijn door de DDR-bedrijven voor een groot deel oneigenlijk gebruikt', aldus de bankfunctionaris in een vraaggesprek met de DDR-televisie. Gaddun: 'Niet alleen maar als liquiditeitskrediet, maar voor investeringen en als een voortzetting van de oude subsidie op te goedkope produkten.' Naar zijn mening zijn er twee manieren om de huidige kredietverlening voort te zetten: door belastingverhoging ('Zoals u weet minder populair') of door een beroep op de kapitaalmarkt. 'Maar daar is een grens aan en het zou mogelijk in de huidige omvang de rente kunnen doen stijgen', zo waarschuwde Gaddun. 'Een hoge rentestand lijkt me ook niet precies iets waar de DDR-bedrijven behoefte aan hebben.' Niettemin wisten Oostduitse kranten gisteren te melden, dat de regering van de DDR overweegt om nog in de laatste maanden van het bestaan van dit land staatsleningen uit te schrijven.