Rondom 12 augustus weer meteoroiden of 'vallende sterren'

Ieder jaar omstreeks 12 augustus gaat onze planeet in haar baan om de zon door een uitgebreide zwerm meteoroiden, de Perseiden genaamd, waardoor minuscule brokjes materie met een onvoorstelbare snelheid in onze atmosfeer terecht komen en door wrijving tot gloeiing worden gebracht. Het verschijnsel dat men dan waarneemt, een zeer kortstondige lichtflits, noemt men 'vallende ster' of met de wetenschappelijke benaming: meteoor.

De meteoroide is echter slechts een uiterst nietig brokje materie, bestaande uit steen of metaal en dikwijls niet groter dan een zandkorrel. Alleen de zeer zelden voorkomende grotere brokken zijn in staat tot de onderste lagen van onze dampkring door te dringen. Wat dan op aarde terecht komt, noemt men meteorieten of meteoorstenen.

In Nederland zijn er tot nu toe slechts enkele meteorieten gevonden. In 1840 kwam er een neer bij Uden; in 1843 werden twee meteorieten gevonden bij Utrecht, een van 3,5 kilo bij Blauwkapel en een bij de Gageldijk. Tenslotte in 1925 een bij Ellemeet, alle stenen bleven bewaard. De op 6 augustus 1650 gevonden meteoriet bij Dordrecht is helaas verloren gegaan.

Het op 7 april van dit jaar neergekomen stuk uit de ruimte 'de Glanerbrug' is volgens onderzoekers van de Leidse sterrenwacht wellicht een stukje van de planetoide Midas, een om de zon draaiend rotsblok met een middellijn van ongeveer 1,6 kilometer.

De Perseiden danken hun naam aan het feit dat zij uit eenzelfde punt aan de hemel, radiant geheten, schijnen te komen. Dit punt is gelegen in het sterrenbeeld Perseus. Schijnbaar, omdat het een perspectivisch verschijnsel betreft, te vergelijken met evenwijdig lopende rails, die ook van een punt aan de horizon lijken te komen.

Het sterrenbeeld Perseus is omstreeks 12 augustus te vinden aan de noordoostelijke nachthemel, tussen het welbekende sterrenbeeld Casseiopeia en de horizon. De aarde ontmoet dan de hoofdmacht van deze zwerm. Het is echter niet te voorspellen wanneer het verschijnsel zich het meest frequent voor zal doen. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de zwerm Perseiden, overblijfselen van de komeet 1862 III Swift Tuttle, zo enorm uitgebreid is. De aarde heeft nl. meer dan een maand nodig, van ongeveer 20 juli tot 25 augustus, om de gehele zwerm te doorkruisen.

Uit zorgvuldig gedane berekeningen blijken de nachten van 11 op 12 en van 12 op 13 augustus echter de meeste kansen te bieden.

De waarnemingen, waarbij geen enkel optisch hulpmiddel nodig is, kunnen het best gedaan worden in de nanacht of in de vroege ochtenduren. De radiant bevindt zich dan zeventig graden boven de oostelijke horizon. In de avonduren, bij het invallen van de duisternis, is dat slechts twintig graden.

Helaas zijn de omstandigheden voor waarneming dit jaar door het storende maanlicht niet optimaal. Het is vijf resp. zes dagen na volle maan en omstreeks middernacht en de uren daarna, verspreidt onze satelliet nog zoveel licht dat veel van deze lichtflitsen teloor zullen gaan.

Niettemin zal het toch de moeite waard zijn om omstreeks de 12de augustus de nachtelijke noordoostelijke hemel in het vizier te houden.

    • G. A. W. C. van Hemert tot Dingshof