Hongertocht naar het landschap Van Gogh

Ik ben bij Van Gogh weggebleven, niet uit omgekeerd snobisme iedereen gaat, dus ik niet maar eenvoudig omdat ik slecht loop en menigten schuw. Ik woon al 35 jaar vlakbij het Kroller-Muller Museum, terwijl ik het (voor mij) indrukwekkendste deel van de collectie, een aantal doeken geschilderd in Arles en St. Remy, reeds in mijn jeugd tijdens de jaren twintig, onder onherhaalbaar gunstige omstandigheden heb kunnen bewonderen: zo dikwijls en zo lang als ik wilde, en dan doorgaans in m'n dooie eentje.

Mevrouw Helene Kroller-Muller hield toentertijd kantoor in Den Haag op de eerste verdieping van het deftige herenhuis Lange Voorhout 1. Gelijkvloers hing aan de wanden een wisselend deel van haar verzameling. Bezichtiging strikt op introductie een mogelijkheid waaraan weinig ruchtbaarheid werd gegeven. Ik had daar lucht van gekregen via mijn lerares Engels, die ook een vriend van mevrouw Krollers picturale raadgever H. P. Bremmer had opgeleid.

Yaleslot

De deur werd opengedaan door een vaag manspersoon in grijze stofjas. Hij wees met zijn duim naar een openstaande kamerdeur en verdween naar het achterhuis. Alleen tijdens dit eerste bezoek is hij een paar keer vluchtig komen kijken wat ik in de kamers, leeg op de schilderijen na, uitspookte. Daarbij bleef het. Ik werd blijkbaar ook verondersteld mij zelf uit te laten. Een uur later sloeg ik de deur hoorbaar hard in het Yaleslot. Dat vormde samen met de houten vouwluiken voor de hoge ramen de enige beveiliging van een collectie waaraan mevrouw Kroller toen al een paar miljoen had besteed. Ongehinderd had ik er met een van de handzamer schilderijen op de fiets vandoor kunnen gaan. Wat daar aan de wanden bijeengepropt hing aan impressionisten en voorlopers, Corot, Fantin Latour, Renoir, Jongkind, Monet, werd morsdood geslagen door twee Van Goghs waarvan ik nog nooit een reproduktie had gezien: 'De Cipres met de Ster' en 'De Olijfboomgaard'. Ik stond gehypnotiseerd te staren naar een voor mij volslagen nieuwe en onbekende wereld: draaikolken en erupties, rivieren en stroomversnellingen van licht. Ik was in die tijd pantheist, en waar ik mijn ogen en geest aan verzadigde was de picturale belijdenis van een bezield heelal, het 'Panta Rhei' van Heraclitus opgetekend in een extatische wemeling van verftoetsen. Ze schenen zelfs aan de rand van het schilderij te willen ontsnappen als getuigenis van onstuitbare levensdrift. 'Een raadselachtig schilderij, dat nooit voldoende verklaard is', schreef de befaamde Van Gogh-kenner dr. J. Hulsker in een essay uit 1975 over 'De Cipres met de Ster'. De late schilderijen van Vincent, de dynamisch gepenseelde doeken uit Arles en St. Remy (1888-1890) onttrekken zich, geloof ik, aan zuiver verstandelijke uitleg. Je kunt ze wel aanvoelen, en wat daarbij machtig helpt is een pelgrimage naar hun geboortestreek, Vincents 'koninkrijk van het licht', de Basse-Provence.

Ik kwam daar bij toeval terecht in de herfst van 1929, toen mijn vriend Fons en ik als los arbeider door Frankrijk zwierven. Na het korendorsen bij Dijon bleek de druivenoogst in Bourgondie mislukt en dus liepen we in lange dagmarsen naar het zongeblakerde zuiden. In het arbeidsbureau te Nimes kregen we op een zaterdag de verzekering dat we maandagmorgen aangeworven zouden worden voor zes weken druivenpluk op een grote bezitting. Van ons totale geldbezit, vijf frank, kochten we een pakje Gauloises: nicotine verdooft de honger. Bij verkenning buiten de poorten bleken onze gewone nachtverblijven, stroschelven en hooibergen, totaal te ontbreken. Dus kozen we tijdelijk domicilie in een brede greppel tussen een wijngaard en een olijfboomgaard. Op de hoeken stonden cipressen statig schildwacht. Het landschap kwam me bekend voor, al was ik nog nooit in de Provence geweest, maar ik kon het niet thuisbrengen. Een dag later wist ik waarom: we hadden deze eenzame plek, buiten zicht van de naaste boerderij, bij aankomst zuiver utilitair bekeken. De brede greppel bood beschutting tegen frisse nachtwind, de olijfbomen verschaften magere schaduw tegen het genadeloos zongeweld, en de wijngaard beloofde gratis, hoewel eenzijdig, voedsel. Het was niet onze trots die ons belette bij een van de drie boerderijen waar we langs waren gekomen een homp brood te bedelen, maar de Franse plattelanders uit ervaring kennende, betekende dit ook het risico van gendarmeriebezoek, gevolgd door een weekje in een cel wegens landloperij.

De eerste paar maal was het een genot om languit liggend in het wijde veld met een lui handgebaar boven je hoofd te grijpen, een tros af te breken en dan met een beet een dozijn berstensrijpe blauwpaarse druiven van hun korte stengels af grissen en kapot te knallen tegen je verhemelte. Maar na de derde kleverige tros nam mijn diepste verlangen al de vorm aan van een vers kadetje met uitlubberende olifantsoren van plakken ham. Ik dorst het niet hardop te zeggen, want dadelijk na de eerste tros had Fons, wijzer dan ik, gedecreteerd: 'En nu geen geouwehoer meer over lekker eten, want dan halen we de maandag niet.'

Steekvlammen

De avond kwam met bezeten krekelgezang, waarbij onze gistende magen de baspartij boerden. Ik werd wakker in een van hitte dansend heelal dat ik met een schok herkende. Daar waren Vincents cipressen die als zwarte steekvlammen omhoogschoten in een hemel waaruit vuurtongen omlaaglekten naar een dervisjdans van kronkelende olijfbomen. Dadelijk komt hij zwetend aanzetten langs de zinderende zandweg, de knorrige eenling met zijn verbeten gezicht onder zijn rafelende strohoed, met zijn verfkist, zijn klapstoeltje en schildersezel. Het is zondag, en dan preekte Vincents vader God met woorden; hij, de verguisde godzoeker, doet het met verf. Het laatste dat voor deze vergeefse bedelaar om liefde overbleef zijn de felle kleuren van Gods schepping, de van groeikracht vibrerende aarde omwemeld door sterren die niemand meer ziet. Dus hangt hij er lichtkransen omheen en wordt daarom voor geexalteerd en zelfs krankzinnig versleten. 'Wat sta je daar te mompelen?' hoorde ik Fons opeens zeggen. 'Komt er soms iemand aan?' 'Hij is er al', zei ik, 'Vincent. Dit is zijn landschap, met zijn druiven, zijn olijven, zijn cipressen.'

'Kom dan maar gauw uit zijn zon', zei Fons vermanend, 'anders word je nog net zo knettergek als hij.'