Een staatshoofd met ideeen

Zou de Oostenrijkse minister van buitenlandse zaken van tevoren de tekst hebben gelezen van de rede die president Vaclav Havel van Tsjechoslowakije in Salzburg heeft uitgesproken in aanwezigheid van het Oostenrijkse staatshoofd? Zo ja, dan had hij blijkbaar minder bezwaren tegen die rede dan zijn Nederlandse collega een paar jaar geleden had tegen een rede die dezelfde Vaclav Havel in Nederland had moeten uitspreken in aanwezigheid van het Nederlandse staatshoofd. Want op die rede heeft men zal het zich herinneren minister Van den Broek censuur uitgeoefend.

Nu is er een verschil tussen de Havel van nu en die van enkele jaren geleden. Toen was hij opposant van een regering waarmee Nederland vriendschappelijke, althans normale, betrekkingen onderhield; nu is hij staatspresident van zijn land en kan hij geacht worden het standpunt van zijn regering weer te geven. En het is niet gebruikelijk dat regeringen elkaars redevoeringen censureren.

Niettemin was Havels rede te Salzburg ongewoon voor een president, want hij kritiseerde daarin indirect, maar onmisverstaanbaar, het gedrag van zijn Oostenrijkse collega en gastheer. Op wie anders immers konden zijn woorden slaan dat niemand straffeloos zijn eigen biografie herschrijven kan, dat de angst voor een leugen slechts een andere leugen voortbrengt, dat er in onze zielen geen vrede heersen kan zolang wij onze schuld niet op z'n minst erkennen? Dat allemaal kon Kurt Waldheim zich aantrekken, die zo ijdel en zo dom was geweest een levensbeschrijving van zichzelf uit te geven waarin hij de jaren verzwijgt dat hij als Duits officier in de Balkan heeft gediend en als zodanig bijna zeker op de hoogte moet zijn geweest van, zo niet betrokken bij, het wegslepen van joden, het terechtstellen van Engelse krijgsgevangenen en andere misdaden.

De vraag kan gesteld worden of president Havel er goed aan gedaan heeft naar Salzburg te gaan en daarmee de boycot te doorbreken die de democratische landen ten aanzien van Waldheim in acht hebben genomen sinds hij, vier jaar geleden, tot president van Oostenrijk werd gekozen. Die vraag kan niet alleen gesteld worden, zij is al gesteld en beantwoord.

Het meest voor de hand liggende antwoord zou zijn geweest een beroep op Tsjechoslowakijes huidige positie: een arm land, dat afhankelijk is van de welwillendheid van de omringende rijkere landen, niet in de laatste plaats het buurland Oostenrijk, waarmee het trouwens ook vele andere banden verbinden. Havel zou bovendien kunnen hebben gezegd: wie zijn wij om het Oostenrijkse volk, dat Waldheim in vrijheid tot zijn president koos, te veroordelen? Dat zou een pragmatisch argument zijn geweest, waartegen vanuit het standpunt van de staatsbelangen weinig in te brengen valt en dat Havel niet wars is van Realpolitik, bewijst het feit dat tot veler verwondering, zijn eerste bezoek als president de Bondsrepubliek Duitsland gold. Toch heeft hij dat argument niet gebezigd. In een interview heeft hij twee andere argumenten gebruikt: 1. de boycot van Waldheim is een inhoudsloos ritueel geworden; 2. 'In ons gebied, waartoe ik zowel Oostenrijk als Tsjechoslowakije reken, heeft niemand een geheel onbevlekte levensloop.' Dit laatste argument is ook in zijn Salzburgse rede te horen. Hij sprak daarin van de 'specifiek Middeneuropese angst voor de geschiedenis', en ook 'de veronderstelling straffeloos door de geschiedenis te kunnen laveren en de eigen biografie te kunnen herschrijven' behoorde volgens hem tot de 'traditionele Middeneuropese waandenkbeelden'. Hij probeerde dus het geval-Waldheim terug te brengen tot een typisch Middeneuropees verschijnsel, gelijk aan de talloze gevallen van min of meer ernstige collaboratie met het communistisch regime, waarmee Havel in eigen land te maken heeft (evenals zijn collega's in de DDR, Polen en Hongarije in hun landen). Met andere woorden: de zaak-Waldheim is, volgens hem, niet zozeer een overblijfsel uit de Tweede Wereldoorlog als wel een actueel verschijnsel, dat alle Middeneuropeanen zich moeten aantrekken.

Of Havel, met deze veralgemening, althans middeneuropeanisering, van het geval-Waldheim, de critici van zijn ontmoeting met de Oostenrijkse president in de eerste plaats zijn eigen Charta 77 heeft overtuigd, valt nog te bezien. Niemand ziet graag een specifieke schuld als 't ware opgelost in een groter brouwsel te minder wanneer hij zelf ook deel van dat brouwsel blijkt uit te maken. De spijtbetuiging die Havel indertijd uitsprak over de wijze waarop zijn landgenoten in 1945 de Sudetenduitsers voornamelijk vrouwen, kinderen en ouden van dagen hebben behandeld, is in elk geval niet overal in goede aarde gevallen.

Havel bewijst met dit soort uitspraken en beschouwingen een oorspronkelijke en volstrekt zelfstandige geest te zijn, die niet bang is gevestigde meningen te attaqueren. Als iemand het recht heeft dit te doen, dan is hij het wel, die bewezen heeft de moed van zijn overtuiging te hebben, ook in tijden dat hij daarmee grote risico's liep. Zijn zedenlessen zijn in elk geval niet vrijblijvend.

Het is te hopen dat hij, bij het vervullen van deze functie, in eigen land aansluiting zal blijven vinden bij de noden van alledag, die voorlopig alleen maar groter worden en in Slowakije is hij altijd al minder populair geweest dan in Tsjechie en dat zijn vermaningen in het buitenland niet op den duur de ontvangst zullen krijgen die de toepsraken van de meeste staatshoofden ten deel valt: beleefde bijval, die wel vrijblijvend is.