Duitse literatorenstrijd: Christa Wolf en de intellectuelen; Niemand is vrij van schuld

Een literatuurstrijd woedt thans in Duitsland, maar het gaat om meer dan literatuur en het stijgt uit boven zomaar een strijd. Het begon met Christa Wolf en haar nieuwe publikatie 'Was bleibt'. In deze onverhuld autobiografische tekst bericht de schrijfster hoe zij in 1979 door de Oostduitse staatsveiligheidsdienst werd gecontroleerd. Zij schildert haar woede en haar angst. De controverse over deze tekst en over de rol van Christa Wolf in de DDR heeft intussen een hitte bereikt die niet door honderd volgeschreven bladzijden alleen kan zijn ontstaan. Er staat meer op het spel.

Gunter Grass heeft dezer dagen, met de bedoeling zijn aangevallen collega te verdedigen, in een gesprek met Der Spiegel gewaarschuwd voor een 'inquisitoire en farizeische' toon in de kritiek. Hij voegde er echter tegelijkertijd aan toe: 'De vraag aan Christa Wolf, die mij ook interesseert is waarom het zo lang heeft geduurd voordat zij zich van de tweede ideologische binding losmaakte en een duidelijke afstand schiep. Een deel van het antwoord kan ik geven op grond van wat ik uit haar boeken ervaar. Men proeft daarin de behoefte het iedereen naar de zin te maken. Uit haar werk treden een zekere brave welopgevoedheid en een zekere vrees voor conflicten naar voren.' Ervan afgezien dat Grass daarmee tot een diagnose komt die een wanhopige overeenkomt vertoont met de bevindingen van Wolfs critici: het gaat inderdaad om de medeplichtigheid van de intellectuelen van de DDR, om de medeverantwoordelijkheid voor de tweede Duitse catastrofe na de nationaal-socialistische de stalinistische.

Voor de tweede keer in deze eeuw gaat het in Duitsland om de overmeestering, de overweldiging van het verleden. Maar deze keer zijn het de intellectuelen die zichzelf tegen het licht moeten houden; zij vormen het middelpunt van een proces, waarvan de meesten nog niet weten dat het reeds loopt, of zij dat nu willen of niet. In dit proces zijn de intellectuelen zowel aanklagers als aangeklaagden en het proces kan slechts door henzelf worden gevoerd. De inzet is hoog: het gaat om de intellectuele moraal.

De uitdrukking 'overweldiging van het verleden' voor wat nu aan de dag treedt is riskant. Want het veronderstelt dat communisme en nationaal-socialisme twee zijden zijn van dezelfde waanzin. Die lezing is onjuist. Auschwitz is uniek. En de waanzin van het nationaal-socialisme was van het begin af aan algemeen bekend, waanzin was het programma, terwijl de regressie van het communisme in de zuivere terreur van het stalinisme in tegenspraak was met alles wat de bedenkers en de wegbereiders en miljoenen mensen ervan hadden gehoopt. Des te dieper was de val.

De nationaal-socialisten hadden nauwelijks de hulp van intellectulen nodig, en zij behandelden diegenen onder hen die zich aandienden, zoals bijvoorbeeld Carl Schmitt, met wantrouwen en verachting. Het communisme daarentegen was steeds ook het werk van intellectuelen. Enkele van de beste koppen van deze eeuw hebben er hun bijdrage aan geleverd. Zij wijdden zich geheel aan een idee die in de kern de geseculariseerde vorm van een religieuze heilsverwachting was en waarmee bijna elk offer kon worden gerechtvaardigd. Vele intellectuelen hebben dit doorzien als een dwaling en ertegen gestreden: van Arthur Koestler tot Albert Camus, Ignazio Silone, Manes Sperber en Czeslaw Milosz.

Ook in dit opzicht is Duitsland een land dat traag reageert. De door het boek van Solzjenitsyn teweeggebrachte schok van de Goelag die Franse intellectuelen tot in het merg trof, ging aan de Duitse intellectuelen voorbij. Nog steeds stond het thema communisme in de schaduw van het nationaal-socialistische verleden. De studentenbeweging was ook de afrekening met de 'vader-generatie' die Auschwitz mogelijk had gemaakt. Het marxisme leverde het wapentuig aan argumenten. Linkse theorieen stelden het kapitalisme verantwoordelijk voor het fascisme en voor de terugkeer van de oude nazi's in de instituties van de Bondsrepubliek.

Dit was een gunstig klimaat voor een heldere blik op de DDR. Het anti-communisme van de vroege jaren diende ertoe in de strijd om de verdeling van de macht politieke terreinwinst te behalen. De ontegenzeggelijk vreugdeloze verhoudingen aan gene zijde werden hier misbruikt om critici monddood te maken. Maar de DDR had in het begin van haar bestaan naar het scheen de beste morele kaarten in handen. Zij gold als toevluchtsoord van het anti-fascisme. Talrijke uit de emigratie teruggekeerde schrijvers, van Bertolt Brecht tot Arnold Zweig en Anna Seghers, zagen in de DDR de garantie voor de opbouw van een nieuw Duitsland, dat zich nooit aan recidive zou bezondigen. Zo hadden de ruziende staten elkaar nodig om, als dat zo uitkwam, met het vijandbeeld van de buurman de eigen vijand te beteugelen.

Die strijd is eindelijk gestreden. Pas nu is werkelijk een einde gekomen aan het noodlot dat in 1933 met het aantreden van Hitler begon. Een nieuwe toekomst is begonnen. De Duitse intellectuelen echter hebben hun verleden nog voor zich. Die in het Westen omdat zij uit tactische overwegingen of om hun geweten te sussen de DDR meestal bezagen zoals dat land zichzelf afspiegelde. Die in het Oosten omdat zij, om het kort te zeggen, het spel met de macht hebben gespeeld en verloren.

De groeiende verbittering in de strijd om Christa Wolf ligt vooral zo gevoelig omdat niemand graag toegeeft een dwaalweg te hebben gevolgd, vooral niet als die dwaling ten koste is gegaan van de beste jaren van het leven. Niemand hoort graag de sleetse en afschrikwekkende term 'overweldiging van het verleden'. Maar helaas gaat het precies daarover, in het Oosten zowel als in het Westen. De verschillen met de nazi-heerschappij, hoe wezenlijk ook, schijnen, wanneer men die beziet met de ogen van de slachtoffers, onwezenlijk. En dat zijn niet alleen degenen die aan de Muur zijn doodgebloed en in de gevangenissen zijn verkommerd, maar ook de vele anderen, wier leven door de SED-staat is geruineerd een staat waaraan de meesten van de in het land gebleven intellectuelen zich, nolens of volens, tandenknarsend of gewillig, hebben onderworpen.

Wie daarop wijst krijgt het verwijt van gelijkhebberigheid te horen. Inderdaad is het gemakkelijk uit het Westen kritiek te oefenen. Die kritiek schijnt echter noodzakelijk, omdat men zich niet aan de indruk kan onttrekken dat belangrijke Oostduitse intellectuelen, gesteund door karaktervaste vrienden in het Westen, over het verleden luidkeels willen zwijgen en intussen legenden over hun verzet aaneenrijgen, of, alsof er niets is gebeurd, de verdere financiering eisen van de Oostduitse schrijversorganisatie die van de Stasi doortrokken vereniging, die meer op haar geweten heeft dan menige eenvoudige Vopo.

Voor hen die het nog niet hebben begrepen: er heeft een aardbeving gewoed die ook de tempel van het communisme heeft doen instorten. Het is voorbij met de offers die voor die instorting als legitiem werden beschouwd. Deze wisseling van perspectief mag velen onrechtvaardig voorkomen; dat is de onrechtvaardigheid van de geschiedenis. Onrechtvaardig is tevens dat de Oostduitse intellectuelen moeten opdraaien voor de geschiedenis die velen in de Bondsrepubliek peinzend maar zonder enige dadendrang hebben ondersteund. Allen zijn slachtoffer geworden van de veronderstelling dat intellectuelen het mechanisme van de macht kunnen bedienen zonder daarvan schade op te lopen. Niemand is vrij van schuld.

Maar ook zonder die onlangs door de Westduitse PEN heftig gehekelde Westelijke kritiek is het conflict dramatisch. Want de beste schrijvers van de DDR, van Wolf Biermann tot Gunter Kunert, Reiner Kunze tot Jurek Becker, Sarah Kirsch tot Hans Joachim Schadlich, zijn gedwongen of vrijwillig naar het Westen gegaan. Zij leven hier. Moet men, mag men van hen verlangen dat zij binnenkort in een verenigd-Duitse PEN zitten aan de zijde van diegenen met wier hulp zij tot hun emigratie zijn gebracht? Wat nu van de kant van deze toenmalige dissidenten te horen is, komt uit de diepte van geleden onrecht en stelt aan scherpte alles in de schaduw wat wij, de Westduitse critici, daarover te berde zouden kunnen brengen. Over haar voormalige collega's oordeelde Monika Maron kort geleden aldus: 'Er was niet veel moed nodig, vooral niet voor de in de openbaarheid beschermde schrijvers, om de schijn van heldendom op te houden. En vaak was een halve waarheid voldoende om de verkondiger ervan in een klimaat van domme en brutale leugenachtigheid de roep van de profeet te verlenen.'

'D e Grote Tijden', zo zong Wolf Biermann in 1972, vier jaar voordat hem zijn staatsburgerschap werd ontnomen, 'ach, wat zal daarvan blijven? Wat ervan zal blijven is dat zij aanzienlijk zullen worden gecoupeerd.'

De grote tijden van het socialisme zijn nu pas voorbij. Het is thans tijd over te gaan tot de orde van de dag. De woede die vele intellectuelen vervult is ook de woede van de teleurstelling van diegenen voor wie het woord socialisme geen lege belofte was. Om met de laatste zin uit Kleists Marquise von O. te spreken: 'Het socialisme zou ons nu niet als iets duivelachtigs toeschijnen, als wij het niet bij zijn eerste verschijning voor een engel hadden gehouden.' Indien links in dit land ooit weer een kans wil hebben, dan zal die tot niets leiden, als het wederom, zoals thans nog gebruikelijk, de catastrofe verloochent en van 'fouten van het stalinisme' spreekt. De enige deugd die links nog rest, nu de utopie aan duigen ligt, is oprechtheid. Uit den boze zijn het overijld sluiten van nieuwe bondgenootschappen en het drogen van de overgebleven huiden boven het kampvuur van de rode verwachtingen. De tenten moeten afgebroken. Is er daarvoor ooit een vrijer ogenblik geweest?