De Sjah en zijn ziekte

Men zou denken dat de groten der aarde, presidenten, koningen en keizers, wanneer ze ziek worden een betere behandeling krijgen dan de doorsnee man of vrouw. Zij kunnen immers de beste internisten en chirurgen bij zich ontbieden.

Het tegendeel is echter waar: prominenten op het toneel van het wereldgebeuren moeten rekening houden met politieke factoren. Daarom 'mogen' ze soms niet ziek zijn omdat dit hun internationale positie zou verzwakken. In het diepste geheim moeten zij zich laten behandelen. Als gevolg hiervan worden zij vaak verkeerd voorgelicht over de medische kansen en krijgen door hun adviseurs de verkeerde artsen opgedrongen.

Een treffend voorbeeld hiervan is hoe het Mohammed Reza Pahlavi, Sjah van Iran, verging toen hij kanker kreeg. Deze geschiedenis vormt een onderdeel van het boek 'The Shah's Last Ride' van de auteur William Shawcross, waarin de omzwervingen van de Sjah na zijn vlucht uit Iran voor de revolutionairen van Khomeini worden beschreven.

Vergrote milt

Toen de Sjah met zijn gemalin keizerin Farah Diba en hun gevolg op 16 januari 1979 opstegen vanaf het vliegveld van Teheran, leed hij al enkele jaren aan kanker. De eerste tekenen van zijn ziekte hadden zich begin 1974 geopenbaard tijdens het zwemmen aan het strand van Kish, een eiland dat de Sjah tot een persoonlijk luxe-oord had herschapen.

De Sjah ontdekte een zwelling onder zijn linker ribbenkast die blijkbaar veroorzaakt werd door een vergrote milt. In het diepste geheim liet hij professor Jean Bernard, de 67-jarige paus van de Franse hematologie uit Parijs naar Teheran overkomen. Bernard nam zijn pupil Georges Flandrin mee. De Franse artsen onderzochten de Sjah. Zijn milt bleek inderdaad opgezet en zijn bloed bevatte een abnormaal hoog gehalte aan witte bloedlichaampjes. De Fransen vertelden dr. Ayadi, de lijfarts van de Sjah, dat de Sjah's ziekte waarschijnlijk een milde vorm van chronische lymfatische leukemie was. Ayadi schrok en verzocht de Fransen met klem tegenover de Sjah niet de woorden 'kanker' en 'leukemie' te noemen. Aan het Iraanse hof had men de gewoonte onplezierige zaken voor de Sjah verborgen te houden. Dus vertelde men de Sjah dat hij leed aan de ziekte van Waldenstrom, een bloedaandoening met een minder afschrikwekkende naam. Men zei de Sjah dat hij in dit stadium nog geen behandeling nodig had en dat men zou afwachten hoe zijn conditie zich verder zou ontwikkelen.

Chloorambucil

In september 1974 werden de Fransen weer naar Teheran ontboden. De Sjah's milt was nog steeds opgezet en dus schreven ze hem chloorambucil voor, een relatief milde vorm van chemotherapie. Dat hielp voorlopig, de milt werd weer normaal. Om de paar weken vloog Flandrin van Parijs naar Teheran om de Sjah te controleren. Een keer, begin 1976, raakte hij in paniek. De milt was plotseling weer gaan groeien en het aantal abnormale cellen in het bloed was toegenomen. Dit kon alleen maar betekenen dat de aandoening ongevoelig was geworden voor de chloorambucil-behandeling. Maar gelukkig was het loos alarm. Na enig speurwerk ontdekte Flandrin wat er mis was gegaan. Teneinde de aard van de Sjah's ziekte geheim te houden, had men op het flesje chloorambucil-pillen een etiket geplakt met de naam van een onschuldig medicijn. Een ijverige bediende had opgemerkt dat het flesje half leeg was en had het aangevuld met het onschuldige middel. Uiteraard had dit geen remmende invloed op de Sjah's milt zodat deze was gaan groeien. In alle haast werd het bewuste potje weer gevuld met chloorambucil en de milt werd weer normaal.

Zwerftocht

In de jaren dat Mohammed Reza Pahlavi aan de macht was geweest in Iran, had hij zijn land ontwikkeld tot een militaire grootmacht. De Amerikanen beschouwden hem als een van hun beste bondgenoten en als een dam tegen een opdringende Sovjet-Russische invloed in het gebied van de Perzische Golf. Voor de Sjah was het dan ook een enorme ontgoocheling dat na zijn afzetting praktisch geen enkel land hem asiel wilde verlenen. De staatslieden die hem vroeger zo nodig hadden gehad, Jimmy Carter voorop, gaven niet thuis. De enige echte vriend die hij nog over bleek te hebben was president Sadat die hem een toevluchtsoord in Egypte aanbood. Maar Carter raadde dit af omdat hij vreesde dat dit Sadats toch al moeilijke positie in het Midden Oosten nog verder zou schaden.

Dus vertrokken de Sjah en Farah Diba naar Marokko, vervolgens naar de Bahamas en belandden zij tenslotte in het Mexicaanse stadje Cuernavaca.

Daar begon de Sjah's toestand te verergeren. Zijn staf riep de hulp in van Mexicaanse artsen die tot de conclusie kwamen dat de Sjah aan malaria leed. Dat leek niet onredelijk: de Sjah had vroeger ook al eens malaria opgelopen en er waren muskieten in Cuernavaca.

Maar de behandeling tegen malaria hielp niet en de artsen begonnen te denken dat de Sjah misschien een leveraandoening had. Men riep daarom de hulp in van dr. Benjamin Kean, een bekende Amerikaanse parasitoloog. Kean had een partikuliere praktijk aan de Park Avenue, een van de sjiekste buurten van New York, en was bovendien verbonden aan de Cornell Universiteit van New York. Hij was een man met een fors postuur, wiens overweldigende manier van optreden door sommigen werd vergeleken met dat van een stoomwals. Uit het lichamelijk onderzoek van de Sjah kreeg Kean de indruk dat deze niet aan malaria of hepatitis leed, zoals de Mexicaanse artsen hadden vermoed, maar aan geelzucht ten gevolge van een verstopping van de galwegen. Hij vroeg de Sjah of hij diens bloed mocht onderzoeken maar dit werd hem geweigerd. De Sjah, aan wie het langzamerhand niet meer ontgaan kon zijn welke ziekte hij onder de leden had, wilde niet dat de Amerikanen zouden weten dat hij kanker had hij vreesde dat dit zijn positie tegenover hen zou verzwakken en zijn kansen op een terugkeer naar de troon teniet zou doen.

Bovendien had net de week tevoren dr. Flandrin hem nog behandeld met chloorambucil. Op Flandrin vertrouwde de Sjah wel, maar op de Amerikanen niet.

Toen echter de toestand van de Sjah steeds maar slechter werd belde dr. Kean naar de regering in Washington en vroeg toestemming om de Sjah naar New York te transporteren om hem daar te laten behandelen. Carter was faliekant tegen; hij was bang dat dit Khomeini in de armen van de Russen zou drijven. Zijn adviseurs wisten hem echter na lang praten ervan te overtuigen dat als de Sjah in Mexico zou sterven omdat Jimmy Carter hem niet in de VS durfde te laten behandelen, dit internationaal wel een bijzonder kwalijke indruk zou maken. Carter gaf tenslotte toe, maar toen ze uiteengingen na de meeting vroeg hij nog: 'What are you guys going advise me to do if they overrun our embassy in Teheran and take our people hostage?'

De operatie

Het gezelschap verliet Mexico op 22 oktober 1979 in een gecharterde jet. De Sjah kon nauwelijks van de auto naar het vliegtuig lopen. In de ochtenduren van de volgende dag landde hij op het La Guardia vliegveld te New York en werd onmiddellijk naar het New York Hospital van de Cornell Universiteit gedirigeerd.

Daar werd zijn ziekte wereldnieuws. Het ziekenhuis werd door journalisten bestormd en het bericht lekte uit dat hij aan leukemie leed.

Nu voor het eerst kreeg de Sjah dan een Amerikaanse kankerspecialist te zien, dr. Morton Coleman die gespecialiseerd was in het behandelen van leukemie met verschillende combinaties van medicijnen. Coleman stond erop dat men de Sjah's milt zou weghalen, ten eerste omdat deze zo opgezet was en ten tweede omdat hij het weefsel ervan wilde onderzoeken zodat hij daar zijn combinatietherapie op kon afstemmen. Op 24 oktober vernam Coleman tot zijn grote verbazing dat men de Sjah naar de operatiekamer had gebracht en daar bezig was met een operatie aan de galblaas! Coleman snelde naar de O. K. en smeekte de chirurg om ook de milt weg te halen. Maar dat durfde men niet aan; men achtte de toestand van de Sjah te precair voor een dubbele operatie.

Achteraf bleek dit een cruciale beslissing, want problemen met zijn milt leidden uiteindelijk tot de Sjah's dood. Tijdens de operatie werd wel een biopt genomen van een lymfklier in de hals. De klier was opgezet en bleek lymfooncellen te bevatten van een kwaadaardiger soort dan die waarvoor de Sjah oorspronkelijk was behandeld.

Na de operatie op de galwegen bleek dat deze niet goed was uitgevoerd: de galweg was nog steeds verstopt omdat de chirurg vergeten was een van de galstenen te verwijderen. Men vond het echter te riskant om nogmaals te opereren en besloot hiermee te wachten totdat de Sjah's lichamelijke gesteldheid zich daartoe zou lenen.

In november bezetten Iraanse militanten de Amnerikaanse ambassade in Teheran en namen daar circa zeventig leden van de staf in gijzeling. Duidelijk was dat met de Sjah in New York het erg moeilijk voor Carter zou worden om de gijzelaars vrij te krijgen, en dus moest de Sjah zo snel mogelijk weer weg.

Panama

Het gezelschap vertrok naar Panama waar de bewindvoerder, generaal Omar Torrijos, de Sjah had uitgenodigd te komen. Torrijos zag in een verblijf van de Sjah een mogelijkheid om een rol te gaan spelen op het wereldtoneel en om Jimmy Carter aan zich te verplichten.

Torrijos was een charmante man, een notoire rokkenjager en een aan drugs verslaafde. Hij gaf de Sjah een woning ter beschikking en stelde hem onder bewaking van zijn assistent kolonel Noriega. Vervolgens begon hij in het geheim onderhandelingen met de Iranezen om de Sjah aan hen uit te leveren.

Het was inmiddels duidelijk geworden dat de Sjah's milt zo snel mogelijk verwijderd moest worden. Maar wie zou dat gaan doen? Flandrin en de Panamese artsen wilden hiervoor een oncologische chirurg, maar de eigenzinnige dr. Kean had andere ideeen. Op eigen initiatief belde hij dr. Michael DeBakey op, na dr. Christiaan Barnard de meest beroemde hartchirurg ter wereld, en vroeg hem of hij naar Panama wilde komen om de Sjah's milt eruit te halen.

Hartspecialist Michael DeBakey is voor de hartchirurgie wat Mohammed Ali was voor boksen en Frank Sinatra is voor het croonen een superster en egotripper. DeBakey opereerde op diverse groten der aarde zoals koning Leopold van Belgie en de Hertog van Windsor. In de muren van zijn kantoor is de stamboom gebeiteld van de ontwikkeling van de geneeskunst. Deze begint bij Aesculapius en eindigt bij Debakey. Op het grasveld voor zijn kantoor staat een bronzen beeld van hemzelf, in dank geschonken door koning Leopold en prinses Liliane.

Na het telefoontje van Kean gaarde DeBakey een medisch team bijeen en stapte hiermee op het vliegtuig naar Panama. De artsen daar waren uiteraard verbaasd over zijn komst. Er ontstond verwarring en geharrewar over wie nu eigenlijk de Sjah's milt zou gaan opereren.

DeBakey voelde zich in zijn wiek geschoten en vertrok weer met zijn staf. Tenslotte ging ook de operatie niet door omdat men dit niet verantwoord achtte in verband met de slechte lichamelijke toestand van de Sjah.

Het einde

Inmiddels waren de onderhandelingen tussen Torrijos en de Iranezen gevorderd. De dag voordat er in Panama door Iran een officieel verzoek tot uitlevering zou worden ingediend en de Sjah door Torrijos in hechtenis genomen zou kunnen worden, vloog de Sjah met zijn gezelschap naar Egypte. Farah Diba had mevrouw Sadat opgebeld, die een goede vriendin van haar was, en Anwar Sadat had de Sjah uitgenodigd te komen.

Op het laatste nippertje ontsprong deze dus de dans. Maar met zijn kanker had hij minder geluk. Op 26 maart 1980 arriveerde dr. DeBakey in Cairo met een team van zes medewerkers en voerde de operatie op de Sjah's milt uit die al in december had moeten plaatsvinden. De operatie die op 28 maart plaatsvond ging mis. Weliswaar haalde DeBakey de milt, die inmiddels de grootte had van een voetbal, er uit, maar tijdens dit weghalen beschadigde hij de alvleesklier. Hij verzuimde een inwendige drain aan te leggen wat usance is in dergelijke gevallen om de schadelijke gevolgen van het vrijkomen van agressieve enzymen te neutraliseren. De complicaties t.g.v. van deze nalatigheid leidde tot acute infecties en de Sjah's dood op 27 juli.

Henri Kissinger heeft de omzwervingen van de Sjah eens vergeleken met het dolen van de Vliegende Hollander. Maar zoals Shawcross schrijft was centraal in deze legende dat de vloek op de Vliegende Hollander een straf was voor de misdaden die de kapitein van dit zeilschip had begaan tijdens zijn leven. Wat de Sjah betreft kwam daar nog die extra vloek bij, de kanker die hij meedroeg tijdens zijn zwerven en die door het gekrakeel van artsen en tenslotte de nonchalance van nota bene een beroemde hartchirurg, zijn noodlot werd.

The Shah's Last Ride. William Shawcross. Pan Books, 1988.

ISBN 0-330-30789-4.

    • Mels Sluyser