De onvoltooide

HET IS NOG maar vier jaar geleden dat de Tweede Kamer een marathondebat wijdde aan de stelselherziening sociale zekerheid. Het was de apotheose van een discussie die zes jaar eerder met een adviesaanvrage van de regering aan de Sociaal Economische Raad was begonnen. Drie weken lang sprak de Kamer over zeven wetsvoorstellen die het stelsel zodanig moesten wijzigen dat het weer 'mee kon'. Dat was althans de bedoeling. De toenmalige staatssecretaris van sociale zaken, De Graaf, gaf drie redenen aan voor de herziening: allereerst moesten de wijzigingen leiden tot het 'wegnemen van onevenwichtigheden en onrechtvaardigheden' die in het oude stelsel zaten. Verder moest het sociale zekerheidssysteem worden 'toegesneden op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen' zoals emancipatie en de daarmee verband houdende snelle groei van deeltijdarbeid, en op het geven van meer eigen verantwoordelijkheid aan de sociale partners en de mensen in het algemeen. En ten slotte zou er een stelsel moeten komen dat betaalbaar was en daardoor 'bestand tegen een zware crisis'. De Tweede Kamer ging in meerderheid akkoord met de voorstellen en een half jaar later ook de Eerste Kamer, ondanks de kritiek van de senatoren op de geringe vereenvoudiging. Europarlementarier May-Weggen ontpopte zich als een van de voornaamste criticasters. Zij zei te vrezen voor 'een grote chaos' wegens de 'absurde gedetailleerdheid' die ook in het nieuwe stelsel zat en zij voorspelde dan ook binnen enkele jaren een 'commissie Oort' om het stelsel weer te vereenvoudigen.

EEN DERGELIJKE commissie is er niet gekomen. Maar de beloofde rust in het sociale zekerheidsstelsel is ook uitgebleven. In feite zijn er nauwelijks sociale zekerheidsregelingen die niet ter discussie staan. De ene gedachte is wellicht wat rijper of groener dan de andere, maar dan zorgt degene die de suggestie doet wel weer voor de toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld de opmerkingen van CDA-fractievoorzitter Brinkman in het blad Christen-Democratische Verkenningen over de uitkeringen op minimumniveau. Is er geen reden voor een meer geindividualiseerde dan wel meer slechts op bepaalde groepen gerichte kijk op het armoedevraagstuk, vroeg hij zich af. Een stelling waarmee de CDA-fractieleider, als je iets dergelijks fundamenteel wilt aanpakken, de complete bijstand plus de AOW ter sprake bracht.

Of wat te doen met zo'n opmerking van PvdA-fractieleider Woltgens in zijn reactie zaterdag op de opiniepagina op het artikel van Brinkman? Volgens Woltgens is er een 'omslag' in het sociale systeem nodig waarbij niet meer het langdurige uitkeringsrecht, maar de terugkeer naar de arbeidsmarkt centraal staat. Het lijkt zo simpel en, Woltgens verwijst er ook naar, in het regeerakkoord is er reeds een doorbraak gemaakt door de instelling van arbeidspools mogelijk te maken. Maar het gaat natuurlijk verder. Een omslag in het sociale systeem zal dan wederom een herbezinning vragen op het begrip passende arbeid en de daarmee samenhangende sancties in de diverse sociale zekerheidsregelingen.

INTUSSEN ZIT het kabinet ook niet stil. Zo is twee weken geleden tijdens de eerste fase van de begrotingsbesprekingen afgesproken dat het beroep op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zodanig beperkt moet worden dat hiermee in 1991 in elk geval een bezuiniging van honderd miljoen gulden kan worden bereikt. Hoe is nog een raadsel. De bewindslieden van sociale zaken verwijzen enigszins hoopvol naar de gedachtenspinsels van de werkgevers eind vorige maand tijdens het 'voorjaarsoverleg'. De brief van het vorige kabinet, van een jaar geleden, waarin de Stichting van de Arbeid om een 'fundamentele discussie' werd gevraagd over wijzigingen in de WAO en de AAW lijkt al weer vergeten. En aan de per 1 januari 1987 in het kader van de stelselherziening aangebrachte wijzigingen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen wil helemaal niemand meer worden herinnerd. Die hadden moeten zorgen voor flinke besparing op termijn, maar wat toen werd aangenomen is absoluut niet uitgekomen. 'Het kabinet acht het dan ook niet realistisch om vast te houden aan de huidige ramingen over het toekomstige aantal arbeidsongeschikten', schreef De Graaf vorig jaar in zijn nadagen als staatssecretaris van sociale zaken.

Concreter zijn de voorgestelde bezuinigingen op de AWW, de weduwen- en wezenwet. Een regeling die bij de 'allesomvattende' stelselherziening even 'buiten haken was gezet' in de terminologie van staatssecretaris De Graaf omdat het kabinet in de veronderstelling verkeerde dat deze voorziening in overeenstemming was met de Europese regelgeving. De Europese rechter besliste anders, met als gevolg dat behalve weduwen ook weduwnaars een beroep op de wet konden doen. Nieuwe wetgeving was nodig om de kosten nog enigszins in de hand te houden en deze ligt dan nu ook voor advies bij de Raad van State om binnenkort aan de Tweede Kamer te kunnen worden voorgelegd.

DE BALANS OPMAKEND resteert het beeld van een sociaal zekerheidsstelsel dat verre van af is: onevenwichtigheden en onrechtvaardigheden zijn blijven bestaan, het nieuwe stelsel is zeker nog niet toegesneden op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en betaalbaar is het evenmin geworden. Het kabinet kan nu kiezen: of pappen en nathouden met een verfijning hier en een beperking daar, of een echt fundamentele discussie beginnen over de toekomst van het Nederlandse stelsel in het licht van alle ontwikkelingen die ons nog te wachten staan. Ook dat is sociale vernieuwing.