De dood als bondgenoot in Den Briel

Het was geen ziekelijke nieuwsgierigheid naar al lang overleden familieleden die mij naar Den Briel voerde, laat staan dat dat dichtgeslibde vakantieplaatsje me fascineerde, wat dat betreft had men me beter kunnen vragen naar die plaatsen in Nederland of Vlaanderen te reizen waar ik in principe nooit meer een stap wilde zetten, dan zou ik van Assen tot St. -Niklaas lucht hebben kunnen geven aan mijn in bittere ervaringen gedrenkte haatgevoelens. Als onbekende debutant voelde ik me echter verplicht elke mogelijkheid tot publiciteit met beide handen aan te grijpen en mijn grootvader was nu eenmaal in Den Briel geboren, op 1 april nog wel, misschien dat mijn stukje over die geuzenstad kon uitlopen in een fascinerende speurtocht naar zijn, vermoedelijk in een snackbar of parkeerplaats getransformeerde, geboortehuis. Zelf had ik mijn grootvader nooit ontmoet, maar mijn moeder had me wel eens wat over hem verteld. In plaats van dokter was hij marineofficier geworden, want die opleiding was gratis. Twee meter groot en breed en begiftigd met veel humor en een prachtige stem. Op uitnodiging van Pisuisse ('Nu moeten jullie ook eens wat doen, beste mensen'), had hij ('Kees, Kees, Kees moet zingen, vooruit Kees!'), na de pauze van een voorstelling voor jonge marineofficieren, 'Dolle Dries, het Kietelkapiteintje' mogen zingen, vijf coupletten met refrein, het succes van zijn leven.

Op een zomerse vrijdagmiddag stoof ik dus in een geleende auto men had destijds immers niet de moeite genomen de bakermat van onze vrijheid met een spoorlijn te verbinden over een binnenweggetje richting Den Briel (zo veel voornamer dan Brielle). Ik reed zo hard omdat het Oud Archief, waar ik het geboorteadres van mijn zingende grootvader hoopte te vinden, om vier uur sloot (als voor de boze buitenwereld terugdeinzende huisrekel had ik me grondig voorbereid) en er van mijn vaste voornemen in alle vroegte te vertrekken, teneinde aan eventuele tegenslagen in alle rust het hoofd te kunnen bieden, niets terecht was gekomen. Het was al bijna drie uur.

En het liep tegen half vier toen ik de auto buiten het ontoegankelijke Brielse centrum aan het water parkeerde, tegenover de onvermijdelijke stadswallen. Bij het uitstappen botste ik bijna tegen een agent op die ik gejaagd de weg vroeg naar het St. Catharijnehof, waar zich het Oud Archief moest bevinden. Het was nog een heel eind lopen, over veel bruggetjes. En het was benauwd in Den Briel, merkte ik toen in de kerkklok kwart voor vier hoorde slaan en van een sukkeldrafje overging op looppas. 'Net op tijd', riep een kordaat uitziende dame vrolijk, toen ze me hevig zwetend door de deur naar binnen zag vallen.

Nadat ik haar hakkelend had proberen uit te leggen waarvoor ik was gekomen pakte ze zonder omhaal een van de dikke folianten uit de rij en wees me even later het geboortebewijs van mijn grootvader aan. Dat was echter niet wat ik zocht. 'Ik zoek het geboorteadres', riep ik paniekerig, 'ik kom helemaal uit Amsterdam!' 'Tsja, dan moet u op het raadhuis zijn, bij het bevolkingsregister, maar dat is nu gesloten.' Toen ze de uitdrukking op mijn gezicht zag kreeg de vrouw echter medelijden. 'Misschien dat ik nog iets kan regelen.' Ze verdween in een kantoortje en even later had ze alles voor elkaar. Als ik me naar het raadhuis spoedde zou daar iemand op me wachten met de nodige gegevens. Het raadhuis lag aan het pleintje waar ze Wilhelmina hadden opgericht.

Ik bedankte haar uitbundig en stormde naar buiten. In het raadhuis vond ik het adres: Voorstraat 99, het huis stond er nog. Na ook deze dame uitbundig bedankt te hebben, me er over verbazend hoe serieus ik hier in de Briel werd genomen, wandelde ik voldaan het raadhuis uit naar de Voorstraat, niet meteen naar mijn voorvaderlijke huis, maar eerst naar het aan dezelfde straat gelegen hotel de Zalm.

Bij de hoteleigenaar informeerde ik of hij wel eens van de oude grutterij van Zaayer had gehoord (vlak voor mijn vertrek had mijn moeder me gevraagd bij oude Brielse ingezetenen navraag te doen naar desbetreffende grutterij, want de oude Zaayer was, via een van de meisjes Kluit, geparenteerd aan de familie Eenhoorn), en, warempel, hij had de oude Zaayer (of was dat de zoon, het duizelde me inmiddels) nog goed gekend, ik moest maar eens gaan kijken, op de hoek van Wellerondom en de Kaatsbaan, daar stond het huis. Het voorste deel werd afgebroken en het achterste deel was een kroeg geworden. Voordat de man me ook de rest van de Brielse geschiedenis zou vertellen, maakte ik me onder dankbetuigingen (wat werd ik toch serieus genomen in Den Briel) van hem los, liep naar beneden en wandelde naar buiten, op zoek naar Voorstraat 99. Bij het klimmen van de huisnummers daalde de Voorstraatse welvaart evenredig en nr. 99 was net geen krot, zoals ernaast, maar op veel meer kon het witgekalkte huisje ook geen aanspraak maken. Er hing groezelige vitrage voor de ramen, zodat het interieur aan mijn oog werd onttrokken, hoe ik mijn neus ook tegen de ruit drukte. Ik liep de straat over en probeerde van een afstand op een filosofische gedachte te komen. Er schoot me echter niets te binnen. Wat deed ik hier in godsnaam? Met behulp van het gidsje dat ik me had aangeschaft wandelde ik verder naar Wellerondom (rustiek pleintje met oude pomp). De voorkant van de voormalige grutterij bestond uit een haveloze gevel. In de achterkant had zich cafe 'De Kont van het Paard' gevestigd. Het sinds mijn bezoek aan Voorstraat 99 in mij sluimerde wanhoopsgevoel werd plotseling acuut en ik liep snel terug naar het hotel, om daar veel wijn en veel zalm naar binnen te slaan.

Na de maaltijd besloot ik nog een avondwandeling te maken, in plaats van meteen onder de Zalmse dekens te kruipen. Het was immers nog licht buiten en wijn en vis hadden me in een opgewekte stemming gebracht. Als vanzelf belandde ik weer voor het grimmige huisje van mijn voorvaderen en opnieuw drukte ik mijn neus tegen de ruit. Niets. Het was allemaal onzin. Ik wilde alweer doorlopen, maar op dat ogenblik werd de vitrage ruw opzij geschoven en stond ik oog in oog met een dikke vrouwenkop. Ik zag de doodsangst in haar blik. Meteen daarna verscheen ook de rest van het lijf in beeld en gaf ze me met woeste gebaren te kennen dat ik moest oprotten, me zo snel mogelijk uit de voeten moest maken. Ik liep haastig door, langs de gevelstenen, bij het Maarland de hoek om en terug door het Maarlandsche Sloopje (typisch nauwe doorgang) naar het Asylpleintje, waar ik aan de voet van de naar de in 1572 behaalde victorieverwijzende zeenymf plaatsnam op een door rozenhagen opgeluisterd bankje. Mij hart bonsde. Voor het eerst in mijn leven had ik iemand schrik aangejaagd! Ik voelde me ineens bevrijd van het gevoel dat iedereen altijd maar een loopje met me nam. Hier in Den Briel namen ze me au serieux. En hoe! Ik had dat mens de stuipen op het lijf gejaagd. Ze had in mij de dood gezien!Ik bleef op het bankje zitten tot het helemaal donker was geworden om me heen en de rode rozen geen geuren meer uitademden. Via de Kont van het Paard, Wellerondom en het raadhuis liep ik terug naar mijn hotel, mijn kamer en mijn bed, waar ik ging liggen met de opwekkende gedachte dat de met mij meereizende dood zich voor het huis van mijn grootvader op vreeswekkende wijze zichtbaar had gemaakt en zich zodoende had laten kennen als mijn bondgenoot.

Michael Eenhoorn debuteerde met de roman Een Bulgaar in Wassenaar.

    • Michael Eenhoorn