W. S. P. Fortuyn, directeur van de BV Studentenkaart; 'Waar Pimkomt, komt ruzie'

Pim Fortuyn is als directeur van de BV OV-Studentenkaart betrokken bij de invoering van de openbaar-vervoerskaart voor studenten. Een omstreden operatie, geheel in de stijl van de door vriend en vijand als 'kleurrijk' getypeerde Fortuyn.

Met bovenstaande regels begint het gedicht dat de andragoog Hans Broekhuis opdroeg aan zijn collega, de socioloog dr. W. S. P. Fortuyn, bij diens afscheid van de Groningse Universiteit in februari 1988. Fortuyns hoogleraar en promotor Harmsen daarentegen waste de vertrekkende in een volle zaal flink de oren. Hij schetste Pim Fortuyn als een geestelijke terrorist die zestien jaar lang een spoor van vernieling door de universiteit had getrokken. 'Hij heeft zich herhaaldelijk ten aanzien van andere medewerkers misdragen, mensen soms echt vernield.'

Maar het is toch ook iemand met grote gaven, zo erkende hij. En een man voor wie hij 'een zwak heeft', zegt hij nu.

De directeur van de OV-Studentenkaart B. V. is een kleurrijke figuur, daar zijn vriend en vijand het over eens. Fortuyn is altijd zo nadrukkelijk aanwezig dat zijn vroegere vriend Ton Kee al in 1974 de 'Wet van Pim' formuleerde. Een eenvoudige wet, maar een die beroemd werd in het Groningse circuit en die nog steeds geldt: 'Waar Pim komt, komt ruzie.' Fortuyn (42) groeide op in een katholiek gezin in de gegoede middenklasse aan de rand van het Kennemerland. Al als jongen van een jaar of zeven nam hij met veel plezier deel aan het 'debat' dat zijn vader zo graag met zijn zoons voerde. De wekelijkse preek en de politiek vormden geliefde onderwerpen. Met grote afschuw volgde hij de door nonnen geleide lagere school (dat de zes jongens in zijn klas met verder zo'n twintig meisjes allemaal zonder vrouw leven, is volgens Fortuyn geen toeval). De middelbare school bij de augustijnen heeft hij als een bevrijding ervaren, ook al omdat er voor het debatteren volop gelegenheid was. Het traditionele katholicisme heeft Fortuyn inmiddels achter zich gelaten. Religieus noemt hij zich nog wel. 'Ik geloof zo'n beetje zoals Gerard Reve gelooft.' Eind jaren zestig studeerde hij aan de gereformeerde Vrije Universiteit in Amsterdam vier jaar sociologie. In 1971 werkte hij als socioloog aan de bedrijfskunde-universiteit Nijenrode, een jaar later kwam hij naar de Groningse Universiteit. Fortuyn wil zelf nog wel eens uitpakken over zijn roerige studententijd. Maar in de verschillende gedenkschriften komt hij toch niet verder dan een voetnoot. 'Hij was wel erg actief, maar bleek toch niet iemand voor op de barricades, bij demonstraties en bezettingen was hij maar zelden aanwezig', zegt een waarnemer uit die dagen. 'In de talrijke vergaderingen was hij als polemist op zijn best. Het was geen verrassing dat hij vaak in de onderhandelingsdelegaties zat.'

Arrogantie

De beginnende wetenschappelijk medewerker arriveerde in Groningen met een dissertatie in zijn koffer: driehonderd pagina's over de geleide-loonpolitiek. 'Hij kwam hier met betrekkelijk weinig geestelijke bagage, maar met een maximum aan arrogantie', zo herinnert zich zijn promotor prof. dr. G. H. Harmsen. 'Zijn dissertatie stond bol van de ideologie. Ik kon het boek niet als proefschrift accepteren, maar Fortuyn wilde dolgraag promoveren. Het promotiediner vond hij heel belangrijk, hij was natuurlijk ook erg op de titel gespitst. 'Fortuyn was door zijn vader voortdurend voorgehouden dat een 'doctorandus niet tot de afgestudeerden gerekend kon worden'. Voor Harmsen en Fortuyn volgden jaren waarin het er tussen hen vaak hard aan toeging. Harmsen: 'Ik heb hem duidelijk kunnen maken dat je voor je promotie een proefschrift nodig had waarvoor je onderzoek moet doen. Zijn ideologie moest er uit, feiten erin. Geleidelijk aan werd hij voor die stelling vatbaar. Ik vond het heel knap van hem dat hij die ommezwaai maakte en uiteindelijk bereid was de gewone wetenschappelijke normen volledig te accepteren, dat hij zich heeft gevoegd in die geestelijke discipline.' In 1980 wordt Fortuyn doctor in de sociale wetenschappen met het proefschrift 'Sociaal-economische ontwikkeling in Nederland 1945 1949'. Op dat moment heeft hij aan de Groningse Universiteit al ruimschoots naam gemaakt.

De eerste jaren is zijn positie er niet sterk. Het tekent Fortuyn dat hij zich hierdoor niet geremd voelt en in de Groningse universiteitskrant een rel begint door daar zijn eigen opvattingen over het promoveren te ventileren. Als de daarop volgende ruzie is gesust, publiceert hij een hoofdstuk uit zijn proefschrift in de universiteitskrant. 'Een onvoldragen stuk', zegt Harmsen. Het groeiende leger vijanden weet daar in het universiteitsblad wel raad mee.

Tegelijk gebruikt Fortuyn zijn bestuurlijke kwaliteiten jarenlang als secretaris van faculteit en vakgroep: hij is er de bestuurder. Fortuyn ziet kans bij zijn vakgroep leven in de brouwerij te brengen door veel symposia en studiebijeenkomsten te organiseren over interessante dissertaties en met beroemdheden als Norbert Elias. Maar hij neemt ook actief deel aan de bijna twee decennia durende discussie 'oorlog' is misschien een betere omschrijving in het sociologisch instituut. Van symposia en studiebijeenkomsten is na Fortuyns vertrek geen sprake meer.

Stormachtig

Behalve impulsief is Fortuyn ook behept met een grote gedrevenheid. In 1974 neemt hij plaats in het bestuur van de Groningse stichting voor de studentenhuisvesting. Het worden vier stormachtige bestuursjaren voor zijn collega's. Fortuyn regelt met de wethouder voor volkshuisvesting Max van den Berg dat er weer voor studenten wordt gebouwd, iets wat jarenlang niet was gebeurd. Zijn medebestuurders volgen geirriteerd het optreden van Fortuyn, ook al omdat hij nogal hardhandig schoonmaak houdt in het al jarenlang nauwelijks meer functionerende bureau van de stichting. Zijn optreden levert behalve extra kamers voor studenten dan ook voornamelijk talloze conflicten op.

Fortuyn is niet bang om altijd en tegen iedereen te zeggen wat hij vindt dat er gezegd moet worden. Dat komt, vermoedt hij, 'omdat ik meen dat ik over veel dingen inderdaad iets kan zeggen dat de moeite waard is'. Drs. L. Hajema, die enkele jaren samen met hem in de redactie van de universiteitskrant zat, over Fortuyn: 'Hij is uiterst prettig in de omgang en om mee te discussieeren. Zeer ad rem, anekdotisch en altijd een scherp argument bij de hand. Maar hij moet wel het middelpunt vormen, dat wel.'

Hij kan alles voor een ander over hebben, maar neemt daarbij wel alle ruimte en krijgt daar dan natuurlijk ruzie over. Zijn persoonlijke relaties met collega's en studenten eindigen dan ook nooit geruisloos maar altijd met knallende ruzies. Fortuyn: 'Ik ben inderdaad nogal expansief, neem veel ruimte in, waar ik ook kom. Daar kunnen veel mensen niet goed tegen.' Hajema: 'Hij is zeer creatief, vergadert altijd op het scherpst van de snede. Voor elk probleem heeft hij tien aantrekkelijke oplossingen. Voor veel mensen is het moeilijk hem te volgen. Toch moet dat om met hem te kunnen samenwerken, want hij heeft een grote hekel aan mensen die traag zijn.'

Harmsen noemt Fortuyn 'een man met grote gaven en kwaliteiten. Een erg aimabel mens ook. Je ziet bij hem wat je ook wel eens bij kinderen tegenkomt. Die kunnen soms met blokken erg mooie en gewaagde torens bouwen waarvan je je afvraagt hoe die zo blijven staan. Toch gebeurt dat. Maar als ze er dan bijna mee klaar zijn gooien ze hem heel bewust omver. Dat doen ze elke keer: iets wat bijna klaar is vernielen. Ik denk soms wel eens dat Fortuyn dat destructieve ook in zich heeft.' Het lijkt of Fortuyn ruzie nodig heeft om te overleven, kritiek laat nauwelijks rancune bij hem achter. Het is voor hem een kwestie van geven en nemen. 'Ik jaag inderdaad nogal eens mensen tegen mij in het harnas. Vaak is dat misschien niet zo verstandig, kan ik beter mijn mond houden. Maar ja, dat lukt niet altijd.'

Marxisme

In zijn studententijd en tijdens de eerste Groningse jaren bekent Fortuyn zich tot het marxisme, overigens zonder zich ook marxist te noemen. Later richt hij zich tot de sociaal-democratie en wordt hij een groot bewonderaar van Den Uyl. De afgelopen jaren hekelde hij in uitgebreide publikaties herhaaldelijk het beleid van de PvdA en zegde uiteindelijk op 1 januari het lidmaatschap op. In de loop van de jaren tachtig wordt hij gevoelig voor het ondernemerschap. Fortuyn heeft wat Teun de Vries ooit over Ed Hoornik opmerkte: hij drijft mee op de onderstroom van de tijd. In elk geval heeft hij een goede neus voor politieke en maatschappelijke ontwikkelingen.

In Groningen bleef Fortuyn tot het laatst toe omstreden. Hij vertrekt er in 1988 gedesillusioneerd. Een belangrijk ideaal heeft hij niet bereikt: hij is geen hoogleraar geworden. 'Ten onrechte overigens', erkent Harmsen nu. 'Hij kreeg plezier in het onderzoek, bleek gevoelig voor de ascese die je als onderzoeker van pas komt. Na zijn promotie bleek hij een vruchtbaar en goed onderzoeker te zijn die veel leuke en goed geschreven publikaties afleverde. Een hoogleraarsbenoeming zou op wetenschappelijke gronden zeker op zijn plaats zijn geweest. 'Vanaf 1 september mag hij toch het begeerde 'professor' voor zijn naam zetten. Op die datum bezet hij de Albeda-leerstoel aan de Rotterdamse universiteit als bijzonder hoogleraar in de vorming van arbeidsvoorwaarden.

Bij zijn vertrek uit Groningen gaf de hoofddocent ongebruikelijk, maar kenmerkend voor Fortuyn een afscheidscollege dat hij een veelzeggende titel meegaf: 'De zestiger jaren: een wonderkind of een total loss?'.

Hij haalde daarin fel uit naar het universitaire bestel, verweet menigeen 'persoonlijke mentale terreur' en gebrek aan ruggegraat en spaarde daarbij zichzelf niet. Hij keerde de universiteit de rug toe. Definitief, zo zei hij toen. Voor hem was er niets meer te beleven: het universitaire leven in Nederland 'vibreerde' niet voldoende. 'Fortuyn wil vooral altijd maar hogerop. Eigenlijk is het hoogleraarschap voor hem maar een troostprijs, want hij ziet zichzelf toch het liefst als minister-president. Hij was een groot bewonderaar van Den Uyl zo'n figuur zou hij ook willen zijn', meent Harmsen.

Het vertrek van de universiteit heeft niet geleid tot radio-stilte rond Fortuyn. Zijn huidige 'politiek-strategisch adviesbureau' baart regelmatig opzien met successen en mislukkingen. Als directeur van de OV-Studentenkaart B. V. heeft Fortuyn de uitgifte van de openbaar-vervoerskaart tot dusver bijzonder goed en deskundig voorbereid, zo luidt het unanieme oordeel. Maar ook in deze functie opereert hij op het scherp van de snede. Hij wil dat de kaart er komt en ziet er niet tegenop zijn aandeelhouders te schofferen als hij dat nodig vindt. Als het toch nog mis gaat, kunnen ze misschien de tekst lenen van Ton Kee, bedenker van de 'Wet van Pim', die ondanks de knalllende ruzies in een reactie op een afscheidsinterview schreef dat het vertrek 'helaas het verlies betekende van een goed docent, een geweldige organisator, een vruchtbaar publicist en een geliefd object van discussie. Het zal een beetje saaier worden zonder Pim Fortuyn'.