Kreisky maakte Oostenrijk minder klein

DEN HAAG, 30 juli 'Ik blijf erbij dat de klassenstrijd het enige middel is om de arbeiders te bevrijden'.

Dat zei Bruno Kreisky, 25 jaar oud, toen hij op 16 maart 1936 in de Oostenrijkse standenstaat van Schuschnigg terecht stond wegens 'revolutionaire activiteiten'. Hij werd dan ook tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Als zoon van een vermogende joodse fabrikant had hij al vroeg de voor die tijd opmerkelijke overstap naar het 'austro-marxisme' gedaan. De bittere nood onder brede lagen van de bevolking in het geamputeerde Oostenrijk van na de Eerste Wereldoorlog moet diepe indruk op de jonge Kreisky hebben gemaakt. Toen hij op het gymnasium zat en zijn vader hem zei dat hij elke dag een van zijn klasgenoten mee naar huis mocht nemen om te komen eten, braken er tussen de hongerige jongelui zulke gevechten uit over de vraag wie er die dag mee mocht, dat er niets anders op zat dan de uitnodiging weer in te trekken.

Na de 'Anschluss' bij het Grootduitse Rijk in 1938 moest Kreisky als socialistisch activist, nog van joodse afkomst ook, voor de klauwen van de Gestapo naar Zweden vluchten, waar hij niet alleen Willy Brandt ontmoette die een vriend voor het leven werd, maar tevens zijn latere vrouw Vera.

Na zijn terugkeer naar Oostenrijk in 1949 ging hij in de politiek en hielp, op wat er aan brokstukken van de Socialistische Partij (SPO) nog over was na twaalf jaar terreur, een nieuwe structuur op te bouwen. Samen met een kleine groep geestverwanten, de meesten net terug uit concentratiekamp of ballingschap, haalde hij de oude, vooroorlogse ideologische schuttingen neer en zette de toon voor een brede interne discussie over de toekomst, waarbij, anders dan vroeger, ook de stemmen van intellectuelen en liberalen werden gehoord. Zo kon hij talloze mensen binnenhalen die traditioneel geen affiniteit met de arbeidersbeweging hadden.

De SPO veranderde onder zijn leiding van een gesloten, monolitisch blok in een open, moderne en pluriforme organisatie. De electorale successen waarmee de socialisten in 1970 voor het eerst de meerderheid haalden en Kreisky zelf Bondskanselier werd, zijn voor een niet gering deel aan zijn doortastendheid te danken geweest. In totaal heeft Kreisky 26 jaar deel van de regering uitgemaakt, eerst als staatssecretaris van buitenlandse zaken (1953-1959), vervolgens als minister van buitenlandse zaken (1959-1966) en tenslotte als bondskanselier (1970-1983). Men beschouwde hem als een irenische persoonlijkheid, omdat zijn politieke stijl niet op confrontatie, maar op discussie en verzoening was geent. Zo heeft hij altijd voor intergratie van de vroegere nazi's in de samenleving gepleit en het oorlogsverleden (dat een groot deel van zijn familie het leven had gekost) met de mantel der liefde bedekt, liever dan door spectaculaire processen tegen oorlogsmisdadigers, zoals die in de Bondsrepubliek met zekere grondigheid zijn gevoerd, oude vetes weer te laten oplaaien. De staatsstructuur van het kleine Oostenrijk 'de rest', noemde Clemenceau het in 1919 waarvan de levensvatbaarheid, met het IJzeren Gordijn langs oost- en noordgrens, allerminst vaststond, vond hij te labiel om het risico van een fundamentele zuivering aan te kunnen.

Dat heeft hem een levenslange strijd met Simon Wiesenthal gekost, die nog werd aangewakkerd toen deze laatste in 1975 vice-kanselier Peter (van de zich liberaal noemende Vrijheidspartij) in het tweede kabinet-Kreisky als een vroegere SS-officier ontmaskerde. Kreisky schold Wiesenthal en diens staf voor 'maffia' uit, waarop Wiesenthal een aanklacht tegen hem indiende. Een tweede aanklacht volgde toen Kreisky Wiesenthal er ook nog van beschuldigde tussen 1939 en 1945 met de Duitse bezetter te hebben geheuld om zijn eigen leven te redden. Beide aanklachten zijn later, volgens goed Oostenrijks gebruik, onder tafel geveegd.

Intussen wist Kreisky met zijn politiek van bruggenbouwen in Oostenrijk een redelijk functionerende democratie in te voeren. Waar voor de oorlog de 'roden' en de 'zwarten' op elkaar insloegen, baande hij nieuwe wegen voor samenwerking, tussen socialisten en conservatieven, tussen vakbonden en werkgevers, maar ook tussen Oostenrijk en het Westen. In 1955 had Oostenrijk bij het Staatsverdrag, door Kreisky zelf als lid van de delegatie naar Moskou mede voorbereid, zijn vrijheid terug gekregen, met als prijs de eeuwig-durende neutraliteit. Toetreding tot de Europese Gemeenschap of de NAVO waren daarmee voorgoed (zo leek het toen althans) uitgesloten. Toch waren, om de prille democratie te beschermen en de economie na tien jaar bezetting weer enige vaart te geven, hechte contacten met de Westerse landen van levensbelang.

Kreisky maakte van Wenen een internationaal congrescentrum, waar de supermachten elkaar ontmoetten bij besprekingen over wapenbeheersing (SALT en MBFR), later bij de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en het CFE-overleg over vermindering van de conventionele bewapening en hij liet aan de Donau een 'VN-stad' bouwen voor het Internationale Atoombureau van de Verenigde Naties en de VN-organisatie voor industriele ontwikkeling (UNIDO). Daarnaast gaf hij, in de Socialistische Internationale en een internationale fora als de Commissie-Brandt, mede inhoud aan de discussie over de wereldproblemen van deze tijd: de verhouding Oost-West, de armoede in de wereld en de bedreiging van de natuur. Hij liet de stem van Oostenrijk, kortom, voor iedereen herkenbaar horen. Het land is dan ook niet, zoals velen indertijd hebben gevreesd, een tweede Finland geworden.

Meer dan voor de Oostenrijkers, die hem niet zonder trots hun 'Zonnekoning' noemden, is voor Kreisky zelf zijn joodse afkomst altijd een emotioneel probleem gebleven. Hoewel hij al niet meer in de strenge joodse tradities was opgegroeid en zichzelf een agnosticus noemde, voelde hij die afkomst als een zware handicap. Meer dan eens heeft hij in vroegere jaren tegenover vrienden opgemerkt dat voor hem, als jood, een premierschap niet zou zijn weggelegd: 'Niet voor mijn generatie'. Toen dat wonder zich in 1970 toch voltrok, heeft hij met nadruk laten blijken hoe 'onpartijdig' hij was. Zijn openlijke vijandigheid jegens de staat Israel (waarheen zijn broer Paul in zijn jonge jaren was geemigreerd) en zijn ostentatieve sympathiebetuigingen aan de Arabische wereld kunnen niet anders dan als overcompensatie worden uitgelegd. Hij bracht een bezoek aan de Libische leider Gaddafi, toen die door het Westen al was geisoleerd, en hij erkende de PLO onder Arafat, lang voordat enig ander Westers land dat overwoog. Het heeft aan zijn buitenlandse beleid een element van onevenwichtigheid gegeven. Ook in Oostenrijk zelf is hem dit allerminst in dank afgenomen.

Aan de betekenis van Bruno Kreisky als politicus en als staatsman doet dit weinig af. Hij heeft meer dan iemand anders aan de naoorlogse ontwikkeling van zijn land richting gegeven. Hij was, zei men vaak, te groot voor Oostenrijk. Als dat waar is, dan is Oostenrijk door hem iets minder klein geworden.