'Ik ben er trots op zigeuner te zijn'

Het is zijn grote ideaal om vanuit Amsterdam tweetalige bladen te maken voor alle zigeuners in Europa: in de taal van het land en in de zigeunertaal Romani. Orhan Galjus, 35 jaar, is zigeuner en komt uit Joegoslavie. Hij heeft zich onlangs met vrouw en drie kinderen in Nederland gevestigd.

In zijn geboorteland heeft Galjus nooit de kans gekregen voldoende geld te verdienen als journalist. In Belgrado en later in de autonome Servische provincie Kosovo, waar hij werd geboren en is opgegroeid, verdiende hij wat aan het maken van radioprogramma's voor zigeuners. Ook begon hij een tweetalig weekblad voor zigeuners, maar dat is na enkele jaren weer ter ziele gegaan. 'Als zigeuner, en ik kom daar altijd openlijk voor uit, want ik ben daar trots op', zegt Galjus, 'is het in Joegoslavie heel moeilijk aan het werk te komen. Zelfs als je, zoals ik, een behoorlijke opleiding hebt gevolgd. In sommige delen van Joegoslavie, zoals in Kosovo, is er bij het aanstellen van personen een verdeelsleutel ingesteld op grond van etniciteit. Als er in Kosovo bij voorbeeld dertien banen zijn te verdelen dan gaan er ten minste tien naar de Albanezen, twee naar Serviers en hooguit een naar een zigeuner. Mijn vrouw, ook zigeuner, is gediplomeerd verpleegkundige. Zij zit met hetzelfde probleem.'

In 1984 zijn Galjus en zijn vrouw, ze hadden toen twee dochters, voor twee jaar naar Libie vertrokken, waar zij beiden op een contract van twee jaar in een ziekenhuis hebben gewerkt. Bij terugkomst in Kosovo was het weer heel moeilijk om werk te vinden. Met het geld dat Galjus verdiende bij de plaatselijke radio wist hij zijn gezin, inmiddels uitgebreid met een zoon, in leven te houden.

Als actief lid van de belangenvereniging van Joegoslavische zigeuners bezocht Galjus in april het grote internationale zigeunercongres in Warschau. Daar onmoette hij ook Nederlandse zigeuners, die hem aanraadden zijn geluk in Nederland te beproeven. Met zijn gezin heeft hij inmiddels een woning betrokken in de Amsterdamse Bijlmermeer. Hij heeft zich, evenals zijn vrouw, laten inschrijven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau op grond van een voorlopige verblijfsvergunning. 'We willen hier zo snel mogelijk Nederlands leren', zegt hij enthousiast, 'alles aanpakken en een bestaan opbouwen in het belang van de toekomst van onze kinderen en natuurlijk ook voor de emancipatie van de zigeuners in Europa.' Over de situatie en de toekomst van de zigeuners in Joegoslavie is Galjus nogal bezorgd. 'Zij worden voortdurend achtergesteld. Slechts sporadisch kom je ze in hogere functies tegen. Officieel wonen er een kleine tweehonderdduizend zigeuners in mijn land, maar als iedereen die zigeuner was daar eerlijk voor uit zou komen en dat doen ze dikwijls niet om hun kansen in de samenleving al niet bij voorbaat te minimaliseren kom je vermoedelijk op ongeveer een miljoen op een totale bevolking van 25 miljoen.' Zigeuners wonen vaak in groepen bijeen. In de buitenwijken van grote steden als Belgrado, Skopje en Nish hebben zich zigeunergetto's gevormd, waarin de grote meerderheid analfabeet is. Galjus: 'Het komt heel vaak voor dat zigeunerkinderen na de vierde klas van school gaan, of misschien beter gezegd van school moeten, omdat de ouders de schoolboeken niet meer kunnen betalen. Wat je veel in zigeunergezinnen ziet, is dat het knapste kind mag doorleren in het belang van de hele familie.' Galjus toont zich voorzichtig optimistisch over de ontwikkeling van belangenorganisaties van zigeuners in zijn land en de beperkte successen die zij tot nog toe hebben geboekt. Als voorbeeld noemt hij Belgrado. Het gemeentebestuur van de hoofdstad had bepaald dat het zigeunergetto moest verdwijnen. De bewoners moesten maar zien waar ze heen gingen. Door een campagne van de Vrije Partij van Zigeuners zijn de plannen gewijzigd: er komen nu flats voor de zigeuners.

Galjus is zich nog aan het orienteren op de situatie van circa 3.500 zigeuners in Nederland. Enkele bekende voormannen heeft hij al ontmoet, zoals Nicolic en niet te vergeten Koko Petalo, die in Joegoslavie op zijn minst zo bekend blijkt te zijn als in Nederland.