Terug naar de Somme; De pieteit van Britse veteranen

Een gestaag slinkend groepje Britse veteranen uit de Eerste Wereldoorlog reist ieder jaar naar de Somme. Ze herdenken de veldslag op 1 en 2 juli 1916, die een eind moest maken aan de patstelling waarin de Duitse en geallieerde legers verkeerden. Het plan van de geallieerden faalde. Meer dan 22.000 'lads' sneuvelden en 35.000 raakten gewond of bleven vermist. Terug naar de angst, de kou, de depressie, het bloed en de dood.

Van Victoria Station in Londen vertrok deze maand een wonderlijk reisgezelschap. Tussen de koffers en tassen in de buik van de bus stonden twee opgevouwen rolstoelen klem, alsmede een kist met kruisjes en kransen, versierd met papieren rode papavers. In de bus zelf, op de mooiste plaatsen voorin, zaten als altijd 'the lads', veteranen van wat in Engeland altijd 'de oorlog' wordt genoemd, in verschillende staten van gebrekkige mobiliteit. Ze waren, al weer, met een minder dan de vorige keer, want Ralph Langley van het zestiende bataljon van 's Konings Royal Rifle Corps, had de reis op een week na niet gehaald. Op de overige acht werden bezorgde blikken geworpen: David zag er buitengewoon broos uit, Norman leek in zijn bijna-blindheid en vrijwel-doofheid geisoleerder en bedrukter dan de vorige keer. Maar voor het overige was het goed dat ze elkaar allemaal weer zagen: de bankiers en de juristen, de huisvrouwen en de industriele topman, de garagehouder en de inlichtingenfunctionaris, dat lichtelijk monomane gezelschap dat zichzelf niet zonder zelfspot met 'Lyn's pack' pleegt aan te duiden. Lyn is Lyn Macdonald, de BBC-journaliste die zo gefascineerd raakte door de verhalen van de overlevenden van de Great War (1914-1919), dat ze van het reconstrueren van de krijgsgeschiedenis van die periode een volledige dagtaak maakte. Na haar boeken (Somme, They called it Passchendaele en The Roses of No Man's Land) wordt ze beschouwd als een van de belangrijkste krijgshistorici op het gebied van de Eerste Wereldoorlog. Sinds het begin van de jaren tachtig chartert ze twee maal per jaar een bus en neemt de oude mannen, die het materiaal voor haar boeken leverden, mee terug naar die twee plaatsen die boven alles het lijden, de stagnatie en de futiliteit in de Great War markeren: Ieper in Belgie en de Somme in Noord-Frankrijk.

We zijn nog niet eens buiten Londen, of degenen die sinds november (Ieper) iets nieuws verzameld hebben, houden het al niet meer. Wilf haalt zijn album met silks tevoorschijn, in zijde geborduurde kaarten die de jongens in de oorlog naar huis stuurden. De industrie gaf werk aan vrouwen en meisjes in bezet gebied, die met kleine nette steekjes de regimentswapens van de Britse troepen kopieerden en er onder borduurden: 'Voor mijn geliefde', 'Aan mijn zuster' en ook, in zoetelijk lichtblauw en roze: 'Groeten uit de loopgraven'. Wilf en zijn zoon Pat (15), die hun vader respectievelijk grootvader bij Ieper vermist weten, zoeken in Engeland rommelmarkten en achterafwinkeltjes af naar exemplaren. Het wordt moeilijker, memorabilia uit World War I zijn populair aan het worden. 'Lyn's schuld!' Ian geurt met het dagboek van een verpleegster, met schetsen van het leven aan het front.

Jean geeft een nieuw boek over oorlogsmonumenten door. John wekt allerwege afgunst met zijn Illustrated Michelinguide to the Battlefields, editie 1919, die op de ook nu nog gebruikte vlakke doceertoon begint met een toeristische beschrijving van het toenmalige maanlandschap in het Somme-gebied. Naast een zwart-wit-foto van een door mijnen omgeploegde vlakte, waaruit scherpe punten boomstam omhoog steken, staat: 'De oorlog heeft het district van zijn vroegere uiterlijk beroofd.' De reizigers in deze bus hebben in feite allen dezelfde reden om te komen: een vader, een grootvader, een oud-oom is nu meer dan zeventig jaar geleden gebleven op vreemde bodem. Hun nazaten zoeken naar een naam op een grafsteen, op een van de tientallen oorlogskerkhofjes die de Britse posities in de wijde omgeving van Amiens nog markeren, of naar een naam op een monument dat de vermisten noemt. En als ze eenmaal zijn meegeweest, blijven ze komen. 'Je zult zien', waarschuwt de een na de ander, 'je raakt verslaafd.' Op de veerboot van Folkestone naar Boulogne wijken de passagiers eerbiedig uiteen, wanneer de purser het gezelschap voorgaat naar de VIP-lounge. Veteranen uit de Eerste Wereldoorlog zijn en voor Fransen en voor Engelsen iets bijzonders en Mrs Lyn Macdonald, die niet aan assertiviteitsgebrek lijdt, weet van die omstandigheid goed gebruik te maken. Een gestreelde burgemeester hier, een geimponeerde hoogwaardigheidsbekleder daar, een receptie, een legpenning, het uitwisselen van giften, het hoort allemaal bij een veteranenreis a la Macdonald en the lads genieten of laten het zich geduldig aanleunen.' Oui, mon colonel', wordt soms achteruit de bus gemompeld, wanneer onze aanvoerster met grote stelligheid een verordening inzake de duur van een oponthoud afkondigt. Maar in dat gebrek aan eerbied klinkt evenzeer genegenheid door, want de kolonel laat immers boven alles het belang van de acht voorgaan. 'De reis gaat om hen', heeft ze me gedreigd. 'Ik wil niet dat ze zich omwille van journalistieke verlangens moeten aanpassen. Je kunt mee, maar dan ook de hele reis.'

Voorlopig beperkt het contact zich tot dat met George, de op het oog gemakkelijkst toegankelijke van de acht, vanwege zijn Britse Bronbeek-uitmonstering van de Chelsea Old Pensioners: rode tuniek met koperen knopen, opstaande kraag, zwarte broek en zwarte kepi. In Londen zelf mijdt hij die dracht als de pest, omdat toeristen hem anders steeds maar de weg vragen. Dit keer draagt hij hem, omdat Lyn heeft gevraagd of de veteranen hun medailles willen voeren. Op het rood boven zijn hart prijken derhalve de British War Medal en de Victory Medal, waaraan George overigens minimale aandacht wenst te besteden. Hij distantieert zich een beetje van de overige veteranen en pretendeert gedurende de reis dat 'ik wel andere dingen aan mijn hoofd heb dan nog over de oorlog na te denken. Denk je dat ik nog weet bij welke boerderij of bij welk bosje we uit de loopgraaf moesten? Dat is allemaal verleden tijd.'

Maar als Lyn hem meeneemt naar het kerkhofje waar zijn kameraden liggen, breekt hij.

De slag bij de Somme, op 1 en 2 juli 1916, was door het geallieerde Brits-Franse opperbevel met grote zorg voor detail gepland als de doorbraak bij uitstek door de Duitse linies. De actie moest een eind maken aan de patstelling waarbij Duitsers en geallieerden elkaar langs een front dat reikte van de Zwitserse grens tot een de Belgische Noordzeekust, almaar belaagden zonder echt vorderingen te maken. Tien dagen lang bestookte de artillerie de Duitse linies - non stop, vierentwintig uur lang werd een spervuur van 150.000 granaten per dag en nacht op de Duitse linies losgelaten, met zo'n intensiteit dat aan Britse zijde de kanonnen rood aanliepen van de hitte. Op papier was het plan aldus: na het bombardement van tien dagen, zouden de kanonnen vlak voor het uur U nog meer dood en verderf uitbraken, nu alleen gericht op de voorste van de drie linies van de Duitsers. Volgens een van te voren afgesproken tijdschema zou de infanterie na een uur van dit intense vuur uit de loopgraven kunnen komen om degenen die dit inferno als door een mirakel hadden overleefd, alsnog met de hand af te maken. De kanonnen zouden hun vuur ondertussen naar de tweede linie hebben verlegd en vervolgens naar de derde en alles wat de artillerie nog had overgelaten, zou het voetvolk ('de dweilers') met bajonet, mes of granaat schoon vegen.

In de praktijk ging vrijwel het hele plan mis. Door de immense voorbereidingen die aan de slag vooraf waren gegaan, waren de Duitsers gewaarschuwd dat er een massale aanval op til was. Ze hadden zich daarom diep ingegraven in ruimten onder en achter de loopgraven en in mangaten onder de resten van de dorpjes die ze bezet hielden. Hun posities lagen over het algemeen hoog en bestreken vanuit heuvelruggen het lager gelegen landschap ten noorden van de rivier, dat de Britse sector vormde. De schade aan de Duitse posities was oppervlakkig gezien enorm, maar in feite hadden de meeste Duitsers het bombardement wel degelijk overleefd. Toen het schieten van Brits/Franse zijde op de ochtend van 1 juli 1916 dan ook ophield, zodat de dweilers hun werk konden doen, kwamen de springlevende Duitsers uit hun stellingen tevoorschijn en stelden hun machinegeweren op. Toen de Britse infanterie uit de loopgraven kwam in het heilig vertrouwen dat ze alleen nog de resten van een zieltogende vijand had te overmeesteren, liep ze voluit in het vuur van een springlevende tegenstander. Honderdduizend jongens en mannen, grotendeels recruten uit Kitchener's vrijwilligersleger, gingen die zomerochtend om half acht op bevel van hun oversten 'over de rand'. Toen het die dag donker werd, waren er meer dan 22.000 dood en 35.000 gewond of vermist.' Toen ze dichter bij het bos kwamen', schrijft Lyn Macdonald ergens in Somme over de overgeblevenen van het West Yorkshire Regiment, 'tussen het aanzwellend geluid van de explosies, achter de misselijk makende van gas doortrokken nevel, in het hart van alle lawaai dat hen aanbrulde van welke zijde ze ook kwamen, werd het groepje West Yorkshires zich bewust van een ander geluid. Het was van een soort dat ze nog nooit eerder gehoord hadden. Luitenant Hornshaw zou het zich later - en voor de rest van zijn leven - herinneren als een geluid dat je bloed deed stollen; een geluid dat je oren niet konden verdragen alsof 'enorme natte vingers piepend langs een geweldige ruit gleden'. Het kwam van de gewonden die in Niemandsland lagen. Sommigen gilden, anderen mompelden, weer anderen huilden van angst of riepen om hulp, ze schreeuwden in delirium, ze kreunden van pijn en al die geluiden van onmacht en ongemak kwamen in een buitenaards klagen bijeen.

Toen het twaalf uur geweest was en de nacht van de eerste juli overging in de dageraad van de tweede, toen het geweervuur minder werd, leek het de lucht te vullen. Langs het hele front, van de boomgaarden in Gommecourt tot de hoogten van Beaumont Hamel, van de heuvels van Thiepval tot het dal achter la Boisselle, steeg het in het donker van de nacht op uit het slagveld, als het weeklagen van duizend geesten. En in de resten van hun loopgraven lag dat wat nog over was van het Leger, en huiverde.' We zijn in Musee 'Over the top' in Longueval. De ondernemende eigenaar van Cafe Calypso heeft in zijn achtertuin een heuse loopgraaf uitgegraven en die realistisch ingericht met brokken oorlogstuig, poppen in uniformen, foto's en knipsels en - in een vitrine - een opgezette rat van poezeformaat. Een mededeling aan de aarden muur maakt bekend dat men zich hier kan laten fotograferen in Brits uniform.

Het museum is ons aanbevolen door die andere ongekroonde koningin van de Eerste Wereldoorlog, Rose Coombs, die zegt dat het in zijn soort het beste is dat ze kent. Als Rose dat zegt, geloven wij haar blindelings. Want Rose is de Rose E. B. Coombs, MBE, die 36 jaar lang bij het Imperial War Museum in Londen heeft gewerkt, honderden tochten naar het Westelijk Front heeft gemaakt en een geillustreerde gids over de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog heeft geschreven, waarin geen demarcatiesteen, geen monument, geen dug out en geen loopgraafindicatie lijkt te ontbreken. De gids heet, met verwijzing naar de beginletters van de British Expeditionary Force: Before Endeavours Fade. Rose en de rest van het gezelschap spreken over beide, in die geheimtaal van ingewijden, kortweg over 'Bef'. Als Lyn Macdonald de kolonel is, is Rose Coombes, alleen al vanwege haar misleidend barse manier van doen, de generaal. Wat die twee niet aan gezamenlijke kennis over de Grote Oorlog in huis hebben, moet het weten niet waard zijn. 'Wist jij, Rose?' begint Lyn Macdonald nu en dan een schijnbaar nieuw verhaal over een oneindig vergezocht detail. Rose weet altijd en slaagt erin nog versieringen aan de nieuwe kennis toe te voegen. Tussen de twee flakkert nu en dan een laatste rest concurrentiestrijd op, maar op de begraafplaatsen delen ze zonder een spoor van strijd dezelfde emoties. 'De jongens' die daar liggen, zijn een beetje hun jongens. 'The lads wouldn't mind', hoor ik Rose opmerken tegen iemand die geschrokken van een graf afstapt. En Lyn briest over nieuwe huizen bij Beaumont-Hamel - 'Hoe durven ze over onze frontlinie te bouwen!' - of wandelt langs de namen van degenen die geen graf hebben, drieenzeventigduizendvierhonderdtwaalf vermisten, gememoreerd op het Thiepval Memorial van de Britse architect Sir Edward Lutyens en zegt: 'Niemand zie je, niemand van de Britse soldaten mocht ongenoemd blijven. De Fransen zetten op een graf: Un inconnu.

Rudyard Kipling, wiens zoon gesneuveld is bij Loos, stak daar bij ons een stokje voor. Op Britse graven staat in zo'n geval tenminste: 'A British soldier, known unto God'. Walter Hare (93) van het 16th Batallion Prince of Wales Own kan dankzij een recente oogoperatie opnieuw het golvende landschap bij Gommecourt zien, waar hij voor het eerst als soldaat werd ingezet. We staan in de vroege ochtend in de zon, aan de rand van een akker, waaruit Wilf en Pat na enig rondschoppen tussen de aardappelplanten verroeste granaatsplinters van verschillende dikte en omvang oogsten. Het is hun vaste ritueel en wat ze vinden - geplette kogels, splinters, onduidelijk metaal - delen ze royaal met de anderen. Datgene wat ze niet vertrouwen, laten ze liggen, anders dan Ray die zegt dat hij vorig jaar een week lang niet in zijn schuurtje kon komen vanwege het chloorgas dat zijn vondst bleef afgeven.' Ik was 18', zegt de oude mannen-stem van Walter door de microfoon, 'en ik wist niets van wat een loopgravenoorlog was. Wij werden in oktober 1916 ingezet om de enorme verliezen te compenseren die de Bradford Pals in de slag van juli geleden hadden. Ik had nooit meer dan vijf salvo's afgevuurd, dat was m'n hele training. Door het kerkhof liep een greppel naar de linie, tot kniehoogte gevuld met modder. Het was tegen de avond. Overdag kon je er niet doorlopen, want dan zouden de Duitsers je zien van daarboven.

Ik was nog niet bij de linie of de sergeant zei dat ik meemoest op verkenning door niemandsland. Waar moeten we op letten? vroeg ik nog. De sergeant zei: als de vijand bezig is het prikkeldraad door te snijden, dan komt er een aanval. Als ze bezig zijn het te herstellen, dan zitten we weer voor een dag goed. We groeven ons in in de modder om te verkennen. Er stak iets hards in mijn rug en ik gaf er een klap tegen met de kolf van mijn geweer. Toen we de volgende morgen terugkropen zag ik dat het een granaat was, die niet was ontploft.' In de verhalen van veel veteranen lijken vooral dit soort anekdoten gestold: de wonderbaarlijke ontsnapping aan de dood, de manier waarop een hogergeplaatste kon worden teruggepakt, de ratten zo groot als katten - bijna is er sprake van het soort vertedering en de nostalgie waarmee een man zich zijn diensplichtperiode pleegt te herinneren. De angst, de kou, de depressie, het bloed, de dood zijn de elementen waarover alleen bij navraag wordt gesproken en dan nog met tegenzin. 'Mijn vader heeft mij een keer verteld over de barricades van lijken van zijn kameraden en over het geluid van de modder, waarin ze wegzonken', zegt de zeventigjarige dochter van David Watson (94) van de 9th Royal Scots. 'Je kunt het toch nooit vertellen zoals het was', zegt Reg House (91), een Cockney die elk jaar zijn kapitein komt eren, schouderophalend. En Norman Tennant (94), tot zijn pensionering huismeester aan een prestigieuze priveschool, zegt dat hij, net als Tom Coy (98), zelfs nooit meer met zijn vrouw over deze oorlog heeft gesproken. 'Dat deed je niet. Iedereen wilde door met zijn leven. Ik ook.'

Het is Lyn die beeldend schetst wat hier, in deze akkers bezijden Gommecourt, op de 1ste en 2de juli is gebeurd. Daar, aan de overkant van het landweggetje dat aardappel- en erwtenvelden van elkaar scheidt, had de Londen compagnie van de 56ste Divisie gelegen, afgesneden van de Britse linies in het veld naast ons, omdat de zogenaamd weggebombardeerde vijand direct na die eerste golf de weg onder vuur hield. De jongens aan gene zijde van de weg konden niet heen of terug en de hele dag werden uit het gindse veld lichtsignalen uitgezonden naar de plaats waar wij nu staan: SOS, zend versterking. SOS, zend ammunitie. Maar het was onmogelijk. Een van de brigadiers, die het aanschouwde, was in tranen. Tegen het vallen van de avond werden de lichtsignalen steeds zwakker en steeds minder frequent, tot ze, geleidelijk, helemaal niet meer werden uitgezonden.

Als de bus weer optrekt zegt Eric naast me, wiens vader en bij de Somme en bij Gallipoli heeft gevochten, niet meer dan: 'De klaprozen staan hier wel erg uitbundig te bloeien dit jaar.' Voor het Newfoundland Memorial Park staat een witte bus met rode letters, die toebehoort aan een van de talloze Britse reisorganisaties die toeristen geheel verzorgd naar de voormalige slagvelden brengt, op commerciele basis. Wanneer het gezelschap in onze bus het welbekende logo in de gaten krijgt, gaat een gemeenschappelijke kreet van afgrijzen op. 'Oh no! The Holts are here!' Met brullende motor trekt onze coach op, de chauffeur geeft eigener beweging vol gas en het park verdwijnt met grote snelheid achter ons. Later in de bar zijn de meesten er nog vol van: wat doen die lui hier? waren wij niet juist na de herdenkingsdag van de 1ste juli gegaan om dit soort ondernemers te ontlopen? Bus-in-bus-uit, slagveld zus-slagveld-zo, vlug-vlug-opschieten, dat was geen vergelijk met ons. Wij hebben alleen een bordje voorop 'British World War I veterans to the Somme', met poppies (klaprozen) er omheen geplakt. Bij ons betalen 'the lads' haast niets en wij iets meer en elke reis is anders. En nee, wij zijn evenmin een groep die alleen maar herdenkt en begraafplaatsen bezoekt. Dat is de bedoeling niet. Wij gaan bij een begraafplaats langs wanneer iemand van ons daar iets te zoeken heeft. En als hij de laatste eer wil bewijzen, dan gaan wij om hem heen staan en brengen dat eerbewijs ook.

Iemand komt aandragen met het gastenboek van het oorlogskerkhofje bij Louvencourt en zegt: 'Kijk eens, een landgenoot van je heeft hier ook wat ingeschreven. Wat staat er?' We zijn op Louvencourt, niet omdat hier toevallig ook de geliefde van Vera Brittan (Testament of Youth) begraven ligt, maar omdat Ralph, de veteraan-reisgenoot die net een week voor deze reis gestorven is, hier een broer heeft liggen. Lyn heeft bedacht dat het beste eerbewijs aan Ralph is, dat wij allen nu de bloemen op het graf leggen die Ralph er zelf niet meer kan deponeren. Bij de bus wordt nog omgetutteld met een krans van dit keer voorjaarsbloemen, wanneer mij de bijdrage van ene meneer Verkade uit Arnhem wordt voorgehouden. Die heeft in een woud van Engelse en Franse namen Nederland vertegenwoordigd door te schrijven: 'Mooie boel hier!' 'Er staat', lieg ik, 'dat hij onder de indruk was'.

Maar de man die het gastenboek vasthoudt, hoort aan me dat ik niet de waarheid spreek. Hij kijkt me bevreemd aan.

Om het graf van Ralph's broer stelt het gezelschap zich op. Pat, de jongste man in het gezelschap, mag de krans leggen, en Kathy, Jean's 14-jarige kleindochter, die ook al voor een tweede keer mee is, zal op kornet de Last Post spelen. De kleine ceremonie in de zon wordt daarmee de meest emotionele van de hele reis, al klinkt de diepe stem van Norman bij elke volgende keer even krachtig, even eerbiedig, even vastberaden wanneer hij Lawrence Binyon's prachtige gedicht zegt. Acht oude mannen, Norman leunend op zijn stok, rechten zo goed ze kunnen de rug. Wij van Lyn's pack zeggen met hen de laatste regel hardop na: They shall grow not oldas we that are left grow old Age shall not weary them nor the years condemn At the going down of the sunand in the morning we will remember them

De genoemde boeken van Lyn Macdonald zijn verkrijgbaar als Papermac (Macmillan Publishers Ltd, London 1989) Rose E. B. Coombs, MBE, Before Endeavours Fade, A guide to the battlefields of the First World War, een uitgave van Battle of Britain Prints Int. Ltd., London, ISBN 0 900913 61 4 Vera Brittain, Testament of Youth, uitg. Virago Press, London, ISBN 0 86068 035 5.

    • Hieke Jippes