SLACHTOFFERS VAN SEKSUEEL GEWELD

Zieken worden opgezocht, slachtoffers - zeker slachtoffers van geweld - worden vooral gemeden. Zieken herinneren aan de gevaren van de natuur waar we allemaal aan blootgesteld zijn en dat roept sympathie op. Morgen kunnen we zelf ziek zijn en dan zijn wij blij met de zorg en aandacht van anderen. Slachtoffers bewijzen hoe gevaarlijk andere mensen kunnen zijn en ondermijnen ons gevoel van onkwetsbaarheid en veiligheid. We willen onszelf niet in de slachtofferpositie indenken en verdenken het slachtoffer er dan ook al gauw van zelf schuldig te zijn aan zijn toestand. Zieken zijn het toevallige slachtoffer van omstandigheden, maar slachtoffers lijken toch altijd zelf een beetje zieke personen. Anders was het toch nooit zo ver met hen gekomen, een gezond iemand zou zich zoiets niet laten welgevallen.

Slachtoffers van geweld herinneren eraan dat de sociale orde waar we als vanzelfsprekend op vertrouwen, helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Dat maakt slachtoffers in onze ogen tot spelbedervers, die met een rode kaart het veld uit gestuurd moeten worden. We willen ze niet meer zien en liefst ook niet teveel over of van hen horen. Dat heeft ertoe geleid, dat er tot voor kort in het strafrechtsysteem geen enkele aandacht, laat staan recht, bestond voor slachtoffers en dat er voor hen ook geen enkele vorm van systematische hulpverlening of schadevergoeding bestond. Het heeft er ook toe geleid, dat de omvang van het geweld in de privesfeer altijd schromelijk is onderschat en dat men zich ook geen rekenschap heeft gegeven van de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer. Te vaak ook is gedacht aan geweld als een incident en niet als een manier van leven. Toch blijkt juist in een huwelijk of in een gezin seksueel en 'gewoon' geweld vaak jaren achtereen met een hoge frequentie plaats te vinden.

TABOE WEGHet is dankzij de vrouwenbeweging en de daaruit voortgekomen vrouwenhulpverlening dat het taboe op verkrachting en agressie binnen het huwelijk, maar ook op incest, is opgeheven. Dat betekent natuurlijk niet dat dit soort gedrag nu plotseling wel mag, maar wel dat er nu over gesproken kan worden, in het openbaar, tussen mensen onderling en in de hulpverlening. Want hoe gek het ook klinkt, juist in de reguliere hulpverlening, in de geestelijke zowel als de lichamelijke gezondheidszorg, in de justitiele zowel als de welzijnssfeer, was het eerder moeilijker dan makkelijker de werkelijkheid onder ogen te zien en de signalen te horen. Niemand kon en wilde zich voorstellen, dat een op de zeven Nederlandse volwassen vrouwen voor het zestiende jaar seksueel misbruikt is door verwanten of dat een op de negen vrouwen het slachtoffer is geweest van herhaald en ernstig lichamelijk geweld van de kant van de eigen partner. Niemand had ook ooit gedacht dat zoveel mannelijke artsen en psychotherapeuten seksueel contact met hun vrouwelijke patienten zouden hebben en dat per jaar een op de vierhonderd kinderen tussen vier en twaalf jaar bij de Bureaus Vertrouwensartsen worden gemeld op vermoeden van mishandeling thuis.

De Nederlandse cijfers wijken niet wezenlijk af van wat inmiddels ook uit vooral Amerikaans onderzoek bekend is of al lang kon zijn, als men bedenkt dat Kinsey veertig jaar geleden in zijn beroemde onderzoek naar het seksuele gedrag van de Amerikanen al vast moest stellen dat bijna vijfentwintig procent van de vrouwen aangaf al voor het dertiende jaar seksueel door een volwassene benaderd te zijn. Kinsey deed met dat gegeven niets en de onderzoekers na hem ook niet. Nog in de jaren zeventig bespeurden onderzoekscommissies noch journalisten ook maar een glimp van het seksuele misbruik dat de directeurpsychiater van de Heldringstichtingen in Zetten van zijn 'pupillen' maakte. Ik herinner me dat ik er een jaar of acht geleden bij toeval eens iets over hoorde en dat ik het absoluut niet kon geloven. Het klonk als een verhitte masturbatiefantasie van het 'slachtoffer' en zo is het door anderen in soortgelijke gevallen, als er dan al eens een slachtoffer met een verhaal over de brug kwam, ongetwijfeld ook gezien.

Het isolement van de slachtoffers van incest, verkrachting en seksueel geweld is nog steeds erg groot, maar door de grote aandacht in de media voor dit onderwerp wordt het nu eerder vermoed, wordt er gemakkelijker naar gevraagd en wordt het eerder verteld. Dat neemt niet weg dat voor een meisje een eerste gedwongen confrontatie met seksualiteit, zeker wanneer de dwang uitgaat van de eigen vader, van een broer of van een oom, buitengewoon traumatisch blijft. Ze voelt zich vaak zelf schuldig en vies, ontwikkelt een afkeer van haar eigen lichaam en kan soms ook met een partner van eigen keuze geen plezier meer beleven aan seksualiteit. In de (vrouwen)hulpverle-ning aan slachtoffers van seksueel geweld gaat het niet alleen om een herstel van dit vermogen en een herwaardering van de eigen persoon, maar ook om een bewustwording van de mate waarin vrouwen onderworpen zijn aan de macht en aan de normen van een samenleving die traditioneel opmerkelijk weinig compassie heeft met het lot van seksueel misbruikte vrouwen.

TRAUMAIn de eerste fase van de hulpverlening gaat het om de beleving van het seksuele trauma en het erkennen van het slachtofferschap, in de tweede fase staat het inzicht in de goede en slechte kanten van de eigen overlevingsstrategieen als slachtoffer centraal en in de derde fase gaat het over verandering en verbetering van de eigen situatie. Daar kan een confrontatie met de dader bij horen, maar niet altijd is dat zinvol of mogelijk.

De vrouwenhulpverlening - van en door vrouwen voor vrouwen met problemen die direct met het vrouw-zijn te maken hebben - is in Nederland vooral in de laatste tien jaar snel tot ontwikkeling gekomen. Er zijn speciale telefonische hulpdiensten, opvanghuizen voor vrouwen (zo'n vijftig over heel Nederland verspreid, waaronder twintig 'Blijf van m'n Lijf' huizen, die vooral op onderlinge zelfhulp van vrouwen gericht zijn) en een aantal speciale centra en teams voor psychosociale vrouwenhulpverlening. Qua methodiek is de vrouwenhulpverlening niet meer de exotische eend in de bijt van de reguliere hulp. Enerzijds is de vrouwenhulpverlening zelf 'verzakelijkt', anderzijds is in de reguliere hulp van maatschappelijk werk en RIAGG de acceptatie van 'emancipatoire'-hulpverlening zeker toegenomen. Hulp geboden na seksueel geweld biedt een goede, algemene inleiding in zowel de problematiek van het seksuele geweld tegen vrouwen als de hulpverlening aan de slachtoffers. De stichtingen 'Tegen haar Wil' en 'Tegen seksueel geweld', gespecialiseerde organisaties op het gebied van de psychosociale hulpverlening aan vrouwen, dragen nog echte geuzennamen, maar de presentatie van de problematiek en hun aanpak daarvan in dit gezamenlijke boek laat zien dat verontwaardiging en betrokkenheid hier allang niet meer in de plaats van professionaliteit komen. De vele gevalsbeschrijvingen laten de lezer nog voldoende ruimte voor zijn eigen verontwaardiging en betrokkenheid.