PRAAT DAN TOCH!

Mannen hebben natuurlijk hun prettige en zelfs meeslepende kwaliteiten - ik ben de laatste die het zal ontkennen - maar er is op zijn minst een ding dat vrouwen veel beter met elkaar kunnen dan met een man, en dat is praten. Een goede vriendin van me is al tijdenlang heel gelukkig verloofd met een man die haar weinig te zeggen heeft. 'Waar praten jullie eigenlijk over?' heb ik wel eens gevraagd. 'Nou, eigenlijk nergens over, 'zegt ze dan verbaasd. 'Maar dat hoeft toch ook niet? Daar zijn mannen ook helemaal niet voor. Om te praten heb je je vriendinnen.'

En zo is het wel een beetje, al zou ik persoonlijk de mogelijkheid van verbaal contact met een man iets minder categorisch willen uitsluiten dan zij doet. Iedere man die zich wel eens blind heeft geergerd over de ellenlange telefoongesprekken die zijn geliefde zo nodig moet voeren met intieme vriendinnen zal overigens meteen begrijpen wat ik bedoel: vrouwen hebben zulke uitwisselingen nodig als lucht en water, en hun partners zien daar zelden de zin van in. Soms komen mannen wel eens openlijk in opstand en merken dan zuinig op dat de telefoon een zakelijk instrument is, bedoeld voor het doen van bondige en concieze mededelingen. Zo'n opmerking markeert als geen ander de schier onoverbrugbare kloof tussen de seksen: op zo'n moment wijken ganse continenten uiteen, gescheiden door een kille golfstroom.

Vergeleken met wat ik nu maar even zal aanduiden als 'het damesgesprek' is de conversatie met een man (ik spreek nu even voor mezelf!) vaak een frustrerende onderneming, die je na afloop vermoeid en verward achterlaat in het besef dat de misverstanden zich weer eens hebben opgestapeld. Praat je met een vrouw, dan ga je moeiteloos op de wieken, gevleugeld en bevrijd, terwijl een intiem gesprek met een man altijd iets blijft houden van voortploegen door zware klei of mul zand - bij iedere stap moet je oppassen om niet weg te zinken in onbegrip en wederzijdse irritatie.

Hoe komt dat? Die vraag heb ik mezelf de afgelopen vijfentwintig jaar al heel vaak gesteld, maar een bevredigend antwoord erop heb ik nooit gevonden. Het hele verschijnsel heeft iets ongerijmds en geheimzinnigs, want vrouwen vormen dan misschien wel een 'minderheid' - onderhevig aan bepaalde vormen van discriminatie - maar dat wil allerminst zeggen dat ze tot een homogene groep behoren, laat staan dat ze een eigen subcultuur zouden hebben ontwikkeld. Integendeel, vrouwen zijn onderling zo verschillend als het maar kan, en die verschillen worden bepaald door voor de hand liggende scheidslijnen als leeftijd, opleiding, sociaal-economische klasse, religie, politieke overtuiging, levensstijl, huidskleur en etnische achtergrond. wat vrouwen gemeen hebben zijn hun biologische kenmerken, en het kale feit dat er een aantal historisch gegroeide vooroordelen bestaat over wat 'vrouwelijk' is en wat niet, en dat die vooroordelen bepaalde maatschappelijke consequenties hebben die meestal in hun nadeel werken. Dat is al. Op grond van die constatering zou je hooguit kunnen verwachten dat vrouwen gelijksoortige ervaringen en inzichten met elkaar delen die betrekking hebben op hun achterstandspositie - van een dergelijk consensus is overigens geen sprake, want lang niet iedere vrouw voelt zich een feministe - waar wat je zeker niet zou verwachten is dat vrouwen over een collectief talent of over een gemeenschappelijke vaardigheid beschikken. Waarom zouden ze? En toch is dat het geval: vrijwel zonder uitzondering zijn ze virtuoos, of minstens geoefend, in de kunst van het damesgesprek.

VERKLARINGIk heb wel eens aan die waarneming getwijfeld, omdat ik het zo'n vreemd verschijnsel vond, en omdat ik er geen sluitende sociologische of psychologische verklaring voor wist. Maar dan gebeurde er steeds iets dat me weer bevestigde in mijn vermoeden dat er zo'n echt 'vrouwelijke' vaardigheid bestaat, dat er wel degelijk iets is waar mannen - en dan bedoel ik inderdaad nagenoeg alle mannen, mannen als soort zal ik maar zeggen - buiten staan.

Ik kwam bijvoorbeeld een oudere dame tegen in een bus in Londen, een dame met wie ik zo op het oog niets gemeen had, maar toch had ze me binnen het kwartier dat ons ritje duurde haar hele leven verteld. En niet alleen dat, maar ik begreep ook heel goed waar ze het over had, en ze voelde zich ook begrepen. Of ik kreeg een vrouwelijke uitgever aan de telefoon - niet iemand die ik meer dan oppervlakkig kende - en als vanzelf werden de zakelijke mededelingen verweven met intimiteiten en confidenties, en ook met het soort zelfspot dat je je alleen kunt permitteren in een situatie die niet bedreigend is. Het kenmerk van een damesgesprek is, volgens mij, de welhaast 'therapeutische' toon die de deelnemers aanslaan: er worden geen waarde-oordelen geveld, en niemand hoeft op zijn (of beter: haar) hoede te zijn of zich schrap te zetten voor enigerlei competitie. Er is na afloop geen winnaar en geen verliezer: beide partijen zijn tevreden.

De socioloog Erving Goffman gebruikt voor zijn analyse van de alledaagse sociale handelingen de metafoor van het theater - hij wijst op de 'dramaturgie' van de menselijke interactie. Als je die beeldspraak aanhoudt, zou je kunnen zeggen dat vrouwen die met elkaar praten 'back stage' zijn - in de kleedkamer, ontspannen bezig met afschminken - terwijl ze in het gezelschap van mannen altijd een 'front stage' prestatie moeten leveren: op de buhne, blootgesteld aan een kritische zaal, liefst tekstvast, tuk op applaus en ondertussen ten prooi aan een wurgende plankenkoorts. In haar boek You just don't understand onderzoekt de Amerikaanse linguiste Deborah Tannen het verschil tussen de manier waarop mannen en vrouwen zich uiten. Dat verschil blijkt veel verder te gaan, en dieper te liggen, dan alleen wat gesprekstechnische conventies. Wat vrouwen - al pratend - nastreven is intimiteit, acceptatie en toenadering, en om dat te bereiken zijn ze geneigd om de verschillen met hun gesprekspartner zoveel mogelijk te verkleinen: ze zoeken contact, erkenning, herkenning, gelijkheid, intimiteit en symmetrie. Wat mannen in een gesprek nastreven is iets heel anders, want het mannelijke wereldbeeld wordt, veel meer dan bij vrouwen het geval is, bepaald door het verlangen naar status en onafhankelijkheid. In dat licht bezien is het begrijpelijk dat mannen voorzichtig zijn met het doen van confidenties, en dat ze zich wel honderd keer zullen bedenken voordat ze een zwakte opbiechten, of meer persoonlijke informatie prijs geven dan strikt noodzakelijk is. Allemaal dingen waar vrouwen hun hand niet voor omdraaien, sterker, waar ze juist van genieten! Het resultaat van die verschillende doeleinden en preoccupaties is een volkomen verschillende conversatiestijl, en het treurige gevolg daarvan is dat mannen en vrouwen vaak langs elkaar heenpraten en gaandeweg de moed verliezen dat de misverstanden ooit opgehelderd kunnen worden.

Tannen's boek bevat veel beeldende staaltjes van zulke gedoemde gesprekken. De titels van haar hoofdstukken ontsluiten al een wereld van ellende: 'Leg die krant neer en praat tegen me!' Of: 'Ik zal het je uitleggen.'

Of: 'Kijk me aan als ik tegen je praat!' Wat ik het meest verhelderend vond in haar benadering, was het inzicht dat mannen wel degelijk hun eigen soort verbale genoegens beleven - en zelfs uiterst wijdlopig en kweklustig kunnen zijn - maar dan wel strikt in de publieke sfeer. Zodra er vergaderd wordt, of gesproken over zaken van algemeen belang die de status van de deelnemers aan de discussie direct raken, blijkt dat mannen meer en aanzienlijk langer praten dan vrouwen. Dit globale gegeven wordt ondersteund door een menigte aan onderzoeken: het is gewoon niet waar dat vrouwen meer praten dan mannen - zoals het gangbare vooroordeel wil. Vrouwen praten alleen in de prive-sfeer meer dan mannen. In de publieke arena houden ze hun mond, en als ze dat niet doen stuiten ze op weerstand, want mannen onderbreken vrouwen veel vaker dan andersom: mannen zijn kampioenen in de kunst van het 'in-de-rede-vallen', en ze doen dat onscrupuleus en agressief.

Nou ja, onscrupuleus en agressief? Dat is hoe vrouwen zo'n bruuske interruptie ervaren. De charme van de studie van Tannen is dat ze zowel mannen als vrouwen in hun waarde probeert te laten, en didactisch uitlegt dat er niet altijd boos opzet in het spel is. Uiteraard denken mannen, geschoold als ze zijn in het 'one-up-manship', dat het voor de aanwezige vrouwen ook een fluitje van een cent is om zich te laten gelden in een situatie waarin het op scoren aankomt. Als de vrouw in kwestie niets zegt, of zich al te bedeesd in het gesprek mengt, nemen de mannen in het gezelschap aan dat ze kennelijk niets te melden heeft. Of ze interpreteren haar bescheiden bijdrage als een gebrek aan competentie en belangstelling. Ondertussen heeft de vrouw die er zwijgend bij zit en er geen woord tussen kan krijgen, waarschijnlijk het gevoel dat ze niet au serieux genomen wordt en dat er met mannen niet te praten valt. Zo woekeren de misverstanden voort. En in de intieme relaties tussen man en vrouw is het al niet beter gesteld dan in de vergadercultuur. Alleen zijn de rollen daar anders verdeeld. Vrouwen praten aan de ontbijttafel honderduit over hun intieme roerselen, en mannen ritselen met de krant en vinden al die ongevraagde explicatie storend en overbodig.

Het is droevig, het is verbazingwekkend, en het richt schade aan. Maar hoe komt het nou? Als je op zoek gaat naar een verklaring stuit je op het frappante feit dat ook heel kleine meisjes en jongetjes al blijk geven van zulke verschillen in gevoelsmatige benadering van gesprekstijl. Tannen geeft er voorbeelden van, ontleend aan observaties van kleuters en scholieren. Als een meisje op de middelbare school een emotioneel probleem aan de orde stelt, zijn haar vriendinnen geneigd om daar vragen over te stellen, zodat het meisje in kwestie alle gelegenheid krijgt om haar probleem te verduidelijken en toe te lichten. Voorzover de andere meisjes daar hun eigen ervaringen tegenover stellen, doen ze dat vooral om het eerste meisje duidelijk te maken dat ze haar begrijpen, en dat ze haar gedrag niet veroordelen: ze krijgt de boodschap dat haar gevoelens recht van bestaan hebben. De spreektijd wordt bij zulke uitwisselingen soepel en eerlijk verdeeld: iedereen komt aan bod, zonder dat de deelneemsters daar veel moeite voor hoeven te doen. Bij jongens van die leeftijd gaat het heel anders toe. Als die een poging wagen tot intimiteit zijn ze veel meer geneigd om de emotionele kwetsbaarheden van een vriendje te bagatelliseren en zodoende onschadelijk te maken: het belang van de gevoelens waar het over gaat wordt niet erkend, maar juist ontkend. En de aandacht voor elkaar wordt niet royaal en vrijwillig gegeven - zoals bij de meisjes - maar moet worden veroverd door assertief gedrag. Ook bij kleuters zijn de verschillen al duidelijk zichtbaar. Jongetjes die ruzie maken - over het bezit van een speeltje bijvoorbeeld - deinzen niet terug voor openlijk conflict of lichamelijk geweld, en ze zijn heel duidelijk over hun eigen wensen. Kleine meisjes proberen een openlijk conflict juist te vermijden, en hun eigen wensen verpakken ze vaak in een voorstel dat - al is het maar in schijn - gericht is op het welbevinden van alle deelnemers. Meisjes van drie zoeken zorgvuldig het redelijke compromis, terwijl jongetjes van die leeftijd elkaar onbekommerd en luidruchtig met vuisten en schepjes te lijf gaan.

Tannen onthoudt zich van waarde-oordelen over deze stijlverschillen. In haar slothoofdstuk suggereert ze dat mannen en vrouwen op dit gebied iets van elkaar zouden kunnen proberen te leren - of minstens te begrijpen - al koestert ze niet de illusie dat zulke diep verankerde reactiepatronen wezenlijk te veranderen zijn. Dat vindt ze ook niet nodig, want in beide varianten onderkent ze bepaalde voor- en nadelen. Ik vind dat wel een elegante oplossing - en ook zo echt 'vrouwelijk', zo voorbeeldig compromis-gericht! - maar ondertussen weet ik nog steeds niet hoe zulke basisverhoudingen tot stand komen. Als je ziet hoe vroeg het meisjesgesprek zich al onderscheidt van de manier waarop jongens praten, begin je bijna te denken aan genetische verschillen, en dan zit je midden in het uitzichtloze nature or nurture-debat. Ik ben in dit geval niet zo verrukt van een mogelijke 'biologische' verklaring: taal, en conversatiestijlen, lijken me te subtiel en te gecompliceerd, teveel een kwestie van oefening, om al in de wieg 'gegeven' te zijn.

En dus ben ik nog even ver met mijn verbazing over het fenomeen 'damesgesprek'. Deborah Tannen heeft de verschijningsvorm ervan beschreven, en dat doet ze heel kundig en overtuigend, maar ze is een klokkenmaker zonder filosofische notie van het verschijnsel tijd. Waarom tikken mannen en vrouwen zoals ze doen? Hoe, en wanneer, leren ze dat? Die vragen omzeilt ze, en dat is jammer, maar desalniettemin lijkt haar boek me heel nuttige lectuur voor mensen de willen weten hoe laat het is als hun partner weer eens verzucht: 'Jij begrijpt ook nooit iets van wat ik zeg.'

You just don't understanddoor Deborah Tannen 298 blz., William Morrow 1990, f48,15 ISBN 0688078222

    • Emma Brunt