Overheid moet van ons allen zijn

Vergeleken met andere landen heeft Nederland een lage belastingdruk en weinig ambtenaren. Deze constatering is even waar als onmodieus. Zij past niet in het referentiekader van de jaren tachtig. In vergelijking met andere landen heeft Nederland een groot aantal arbeidsongeschikten en een tamelijk hoog financieringstekort. Een zogenaamd pijnloze afslanking van de overheid en een belastingverlaging van 5 miljard (Oort) hebben daartoe bijgedragen.

Brinkman: 'top waar'

Intussen is er onvoldoende toezicht op straat, onvoldoende verwerkingscapaciteit bij justitie, onvoldoende controle op milieuverontreiniging en dergelijke (mest, overbevissing, lozing van giftige stoffen, snelheid op de autoweg) en zijn er wachtlijsten voor wie behoefte hebben aan elementaire zorg.

Deze simpele noties mis ik in collega Brinkmans beschouwing in Christen-democratische verkenningen onder de titel 'Den Haag topzwaar? Top waar.'. Zij past mij te veel binnen het denkraam van een voorbije decade.

Het opnieuw opnemen van de draad van de nauwelijks gelukte grote operaties (reorganisatie rijksdienst, decentralisatie, afslanking, overdracht van bevoegdheden aan sociale partners) verdient op zichzelf steun. Met Brinkman betwijfel ik zeer of alle overheidsdienaren wel op de juiste plek zitten. Een strikte scheiding tussen een kleine club, die zich bezighoudt met beleidsvoorbereiding en een grotere groep, belast met gedecentraliseerde uitvoering, bepleit ik ten zeerste.

Daarbij vergeef ik Brinkman graag dat hij in zijn ijveren voor decentralisatie over het doel heen schiet. Het is wat wereldvreemd om van de boeren in Beusichem te verwachten dat zij spontaan hun veestapel inkrimpen om het mestoverschot te beperken of dat in afzonderlijke zorginstellingen verplegenden en specialisten op kerstavond hun salaris beperken om de wachtlijsten te verminderen. Het leerstuk van het Prisoners dilemma moet nodig in het politicologisch curriculum worden opgenomen.

Niettemin haalt Brinkman rijp en groen, links en rechts veel overhoop dat aandacht blijft verdienen. Toch houd ik het gevoel over, dat deze generaal erg bezig is de vorige slag te winnen. Ik geloof namelijk dat de jaren negentig een geleidelijke verschuiving in ons denkpatroon te zien geven.

Sociale kwestie

Laten we eens over onze grens kijken. In de Verenigde Staten wordt langzaam maar zeker de balans van de Reagan-jaren opgemaakt: miljoenen onder de armoedegrens, honderdduizenden dakloos een supermacht die op de pof miljardairs op Wallstreet Russisch roulette heeft laten spelen. Rijkdom en armoede worden de nieuwe thema's. Ook in Oost-Europa zal over enige tijd de sociale kwestie een kernonderwerp zijn.

De verzorgingsstaat, de belangrijkste maatschappelijke innovatie van de twintigste eeuw ontwikkeld in West-Europa, krijgt weer nieuwe glans. De oude voorbeelden geven een nieuw voorbeeld. De liplezers in de Verenigde Staten hebben zich vergist: belastingverhoging lijkt onontkoombaar. Hetzelfde geldt voor de Bondsrepubliek, die in een klap haar feitelijk financieringstekort met meer dan 100 miljard gulden verhoogt (via het fonds 'Deutsche Einheit'). Beide voorbeelden onthullen een trend. Zoals De Gaulle al zei: het financieel beleid is de intendance van het echte beleid. (De Japanners wisten dat al lang.) Vroeg of laat en laat Heine met zijn voorspelling over de Hollandse traagheid geen gelijk krijgen leidt dat in Nederland tot de discussie of de uitgangspunten van het no nonsense-beleid intussen geen nieuwe dogmatiek geworden is. Die discussie is hard nodig in een land dat als enige land ter wereld zijn financieel beleid van jaar tot jaar beoordeelt aan de hand van financiele criteria die tot in de tweede decimaal nauwkeurig zijn vastgelegd.

De achtergrond van deze strenge criteria stamt uit de oudheid: een politicus moet als Odysseus aan de mast worden gebonden om de verleiding van de Sirenen (meer uitgaven) te weerstaan. Dat is de abdicatie van de politiek, zo mogelijk erger nog: die van het gezond verstand.

Ik zal me thans niet al te zeer concentreren op het financieringstekort. Als oud-Keynesiaan vind ik dat het tekort in een voortdurende hoogconjunctuur moet dalen. Maar de meting daarvan op kostenbasis van jaar tot jaar heeft in het verleden tot veel onzin op langere termijn geleid: uitverkoop van bezit, lease-contracten, de-budgetteringen en vooral het op een hoop gooien van investeringen en consumptie.

Lastendruk

Maar laten we ons eens verleiden tot een beschouwing over de collectieve lastendruk. Allereerst dit: door een typisch Nederlandse rekenmethode (onder andere dubbeltellingen) slagen wij erin om in vergelijking tot andere landen onze burgers armer te maken dan ze zijn. Ten tweede: dit ijkpunt is nogal manipuleerbaar want twee voorafgaande kabinetten hebben het meer dan tien keer bijgesteld.

Belangrijker zijn echter de volgende vragen. Betalen onze burgers liever meer aan inbraakverzekeringen, alarmsystemen of Heras hekwerk (alles geen collectieve lastendruk) dan aan belastingen voor meer veiligheid? Prefereren onze burgers werkelijk lagere belastingen, zodat de overheid geen mestrechten kan opkopen, boven de zekerheid dat zij binnenkort tegen een veelvoud van de huidige prijs hun drinkwater per fles bij de kruidenier kunnen halen (geen collectieve lastendruk)? Hebben onze burgers werkelijk een voorkeur, ook in de toekomst, voor een lagere AOW boven meer premieheffing? Zullen onze bejaarden het ons werkelijk kwalijk nemen dat zij langs collectieve weg (via het plan Simons) straks minder voor ziektekosten betalen dan als particulier verzekerden (weer geen collectieve lastendruk). Na al deze opmerkingen de moraal van het verhaal. Het topzware Den Haag kan zeker met minder toe. Maar topwaar vraagt een prijs. Voor een dubbeltje op de eerste rang lijkt mij geen geschikt credo voor deze oud-minister van cultuur. Kern van de discussie is: de geloofwaardigheid van de overheid. Omdat we terecht niet meer geloven in Plato's 'filosofenkoning' die alles ten beste bestiert, zal Odysseus zijn boeien moeten slaken. Een frisse duik in de werkelijkheid zal hem de nodige koelte verschaffen tegen valse verlokkingen. Hopelijk is hij dan wel opgewassen tegen een aantal reele problemen van de jaren '90. Ten eerste is en blijft de lage participatiegraad het euvel van onze economie. Verhoging daarvan heeft absolute voorrang, ook al omdat het rechtstreeks onze huidige en toekomstige (vergrijzing) financieringstekort en lastendruk bepaalt. (De gefinancierde inactiviteit van onze beroepsbevolking komt ruimschoots overeen met ons financieringstekort.) Dat vergt een omslag in ons sociaal systeem, waarbij niet meer het langdurige uitkeringsrecht. maar de terugkeer naar de arbeidsmarkt centraal staat. In het regeerakkoord is daarvoor middels arbeidspools een doorbraak gemaakt.

Grenzen

Ten tweede verdient de sluipende centralisatie van het sociaal-economisch beleid in Brussel, onder andere via Luxemburgse jurisprudentie, een heroverweging. Binnen het kader van het subsidiariteitsbeginsel moeten in komende verdragswijzigingen grenzen aan de Brusselse bevoegdheden worden gesteld. Alleen voor werkelijk grensoverschrijdende problemen geldt de EG en dan nog mits democratisch gelegitimeerd.

Ten derde moet de overheid haar meest essentiele taken weer naar behoren vervullen. Veiligheid, onderdak, onderwijs, gezondheidszorg en een menswaardig minimum-bestaan behoren daartoe. Voor deze basisvereisten mogen geen drempels worden opgeworpen die een splitsing in de samenleving bewerkstelligen.

Ten vierde: decentralisatie van het inkomensbeleid sluit uitgerekend het belang uit van diegenen die geen werk hebben en die niet aan de onderhandelingstafel zitten. Differentiatie in de koppeling van uitkering (meer dan 90 procent van de uitkeringen zijn minimum-uitkeringen) voldoet aan het adagium: summum jus, summa iniuria. De beste weg om van allerlei subsidies af te komen is een behoorlijk en gekoppeld minimum-inkomen. Dat geldt te meer waar een verdere verlaging van het minimum-loon nauwelijks een werkgelegenheidsdoel dient.

Ten vijfde mogen noodzakelijke milieulasten geen 'polltax' worden. Draagkracht dient ook hier een van de leidende beginselen te zijn.

Samenvattend: ik betwijfel of een verdergaande fragmentarisatie van onze samenleving de geloofwaardigheid van de overheid verhoogt. De overheid moet van ons allemaal zijn. Waar het echt om gaat is in Den Uyls woorden: 'de boel bij mekaar houden'.