'Haus 49', het laatste overblijfsel van de Stasi

BERLIJN, 28 juli Een stad in een stad is het, de voormalige centrale van de Stasi, de Oostduitse geheime dienst, in deze buitenwijk van Berlijn. Twee enorme blokken omvat het complex, opgetrokken rondom het hoofdkwartier van de oude nazi-organisatie 'Todt'. De straten eromheen zijn doods, door de vuistdikke tralies op de eerste verdiepingen en het matglas op de hogere etages. Ambtenaren van de deelgemeente Lichtenberg en de Oostduitse spoorwegen hebben een deel van het complex betrokken, nadat de Stasi zelf begin dit jaar was ontbonden.

Verscholen op de tweede verdieping van een der gebouwen leidt de supermarkt nu een kwijnend bestaan, ondanks het aanbod van Westerse produkten. Sauna en polikliniek zijn voor het gewone volk geopend. Slechts een groot aantal slagbomen, wachthuisjes en infrarood-beveiligingen geeft nog aan dat tussen de verschillende afdelingen van de Stasi vroeger weinig vertrouwen bestond.

Verder lijkt het, nog maar ruim een half jaar na de 'omslag' in de DDR, alsof de Stasi, het almachtige politieapparaat ter bewaking van de eigen bevolking, nooit heeft bestaan. Alleen in 'Haus 49', het voormalige verbindingscentrum met talrijke antennes en straalzenders op het dak, zetelen nog de commissies van regering en parlement die in onderlinge naijver de ontbinding van de Stasi verder begeleiden. En aan de gevel van 'Haus 1' hangt een spandoek: hier zal, krachtens een besluit van de ministerraad, een museum en ontmoetingscentrum voor Stasi-geschiedenis ontstaan, waarvoor museoloog Ulrich Wiegand inmiddels een bescheiden verzameling afluisterapparatuur en andere relikwieen, voornamelijk zelfgemaakte cadeautjes van KGB-eenheden aan de Oostduitse collega's, bijeen heeft gebracht.

Echt optimistisch is Weigand niet over de toekomst van het museum: 'Geen enkele instelling heeft nog geld ter beschikking gesteld, hoewel de ministerraad tot oprichting van het museum heeft besloten'.

Hij stelt zich de toekomst van het voormalige Stasi-hoofdkwartier voor als een 'ontmoetingsplaats tussen daders en slachtoffers'.

'De Stasi is zo'n belangrijk fenomeen geweest in de DDR-maatschappij, iedereen in de DDR is van kindsbeen af opgevoed met de Stasi, je leraar, de vader van je klasgenoot kon erbij zijn. Het zou een slechte zaak zijn als dat nu allemaal spoorloos zou worden weggemoffeld', meent Weigand.

Toch begint het erop te lijken alsof dat, net als bij andere aspecten van de 'Nog-DDR', te gebeuren staat.

Weliswaar is deze week de 82-jarige Erich Mielke, de laatste chef van de Stasi, wederom gearresteerd. Maar ook voor hem geldt in principe het generaal pardon dat Bonn op voorhand heeft afgekondigd voor Stasi-medewerkers. Als het al tot een proces tegen Mielke komt dan toch alleen wegens het verlenen van onderdak in de DDR aan RAF-terroristen. Dit Haus 1 van het Stasi-complex was de zgn. Mielke-villa, het hoofdkwartier van de chef waar, volgens de Stasi-officieren waarmee de sinds 1 juli ontbonden 'Burgercomites voor de ontbinding van de Stasi' veel contact hadden, menig weldenkend rapport over de toestand in het land werd gewrocht dat de partijleiding van Honecker dan ongelezen in de ordner stopte. Mielke's onderkomen mag bescheiden heten, verkeert in een toestand van beginnend verval net als zoveel gebouwen in de DDR. 'Zuinigheid was burgerdeugd in de DDR', verklaart Weigand. 'Wie zijn kamer ziet is teleurgesteld: een bureau, wat leren fauteuils en houten betimmering, niets geen luxe'.

Ook de toegang van Haus 1 mag sober heten. Achter een betonnen verschansing, die verbergt welke bezoekers voor Mielke uit hun auto stapten, voert een hal naar de paternoster. De ruimte is slechts versierd met wat saaie vetplanten en twee koperen busten van Marx en Feliks Dzjerzjinski geschenken van de KGB. Het plan voor het museum was afkomstig van de burgercomites die hier bij de bestorming van het gebouwencomplex in december de scepter overnamen. Hannelore Kohler was zo'n comitelid en werkt sinds 1 juli mee bij de parlementscommissie in Haus 49. In deze kring overheerst het wantrouwen tegenover de manier waarop minister van binnenlandse zaken Peter Diestel omgaat met de Stasi-erfenis. Diestel is heel actief, als het erom gaat de betrokkenheid van de Stasi bij de RAF en andere terreurbewegingen te documenteren. Deze week kwam hij met cijfers over de Sovjet-kampen in de bezettingszone tussen 1945 en 1950: 122.671 mensen werden verdacht van nazi- of antisovjet-gezindheid geinterneerd, van wie 756 werden geexecuteerd en maar liefst 42.289 stierven door ziekte of uitputting. Maar ten aanzien van de Stasi-terreur van eigen bodem betoont de minister zich wat minder mededeelzaam. De voorzitter van de parlementaire commissie voor de ontbinding van de Stasi klaagde vorige week over het gebrek aan informatie van ministeriele zijde. In deze kring leeft de verdenking, dat de databanken en archieven van de Stasi versjacherd worden aan de Westduitse inlichtingendiensten. De parlementaire commissie zag graag in het komende Verenigingsverdrag tussen de beide Duitslanden opgenomen dat de Stasi-archieven openstaan voor de advocaten van burgers, wier leven door de geheime dienst gebroken is en die schadeloosstelling willen eisen. Het lijkt er evenwel op, dat op de Stasi-archieven de gebruikelijke bondsrepublikeinse Datenschutz-bepalingen van toepassing worden verklaard.

Een andere bron van frictie is dat de vele Stasi-gebouwen die in de euforie van november en december aan gemeenten of instellingen van openbaar welzijn waren beloofd, niet zijn overgedragen en dat vermoedelijk ook niet zullen worden. Het ministerie van binnenlandse zaken, zaakwaarnemer van de ontbonden Stasi, is inmiddels op de gedachte gekomen dat de Stasi-objecten beter te gelde kunnen worden gemaakt. Vergeefs, schijnt het, hebben de inwoners van Schonwalde vorige maand een snelweg geblokkeerd om hun aanspraken op een in 1768 gebouwd en door Mielke bewoond barokkasteeltje kracht bij te zetten. In een gigantische vergaderzaal is een man inmiddels al wekenlang bezig met de verwerking van het verleden, dat van de Stasi, maar vooral zijn eigen, vertelt hij schoorvoetend. Omdat hij als socioloog en leraar tot het eind toe de partij actief had gesteund, voert hij als vrijwilliger hij het beheer over de Stasi-goederen die hier worden verkocht ten bate van de Bundesbank overigens. In het kader van zijn boetedoening voert hij de bezoeker rond langs tafels met goederen, die je bij een geheime dienst misschien niet onmiddelijk zou verwachten: verzilverd bestek, slaapzakken, blaaskacheltjes, zwart-wittelevisietoestellen, textielverf, etenstinnen. In de verkoop zit de laatste weken een beetje de klad, vertelt de man: 'sinds de komst van de D-mark zijn de mensen hier bij hun aankopen veel kieskeuriger geworden'.

    • Raymond van den Boogaard