Groei studentental gepaard met verjonging

ROTTERDAM, 28 juli Het aantal studenten aan de universiteiten is in de jaren tachtig met bijna twintig procent gestegen en de aard van de studentenpopulatie is in die periode op een aantal punten veranderd.

De gemiddelde student is, om te beginnen, jonger dan tien jaar geleden. Voorts tellen de universiteiten meer vrouwelijke en deeltijdstudenten dan tien jaar terug en zijn er meer studenten die al een studie aan een hogeschool achter de rug hebben.

Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek dezer dagen publiceert. In het studiejaar 1989-1990 staan aan de universiteiten 146.900 studenten ingeschreven, precies 29 minder dan het voorgaande jaar. Daarnaast zijn er 14.057 deeltijdstudenten, een toename van ruim elfhonderd. Het aantal universitaire deeltijdstudenten is de laatste tien jaar bijna verviervoudigd. In het studiejaar 1979-1980 waren het er iets meer dan 3.500.

Een groot deel van de deeltijdstudenten heeft al een volledige opleiding aan een hogeschool achter de rug: van de 2.573 eerstejaars in september waren dat er 1.612 (62 procent). Het aantal studies dat in deeltijd kan worden gevolgd is beperkt en voornamelijk te vinden bij letteren, rechten, economie en sociale wetenschappen. In september begonnen bijna 32.000 eerstejaars aan een voltijdse universitaire studie, ruim 1.500 meer dan het jaar daarvoor. Tien jaar geleden waren dat er nog maar 22.382. Toen begonnen daarnaast nog eens ruim 2.500 studenten (12 procent) na een jaar aan een andere studie. Het aantal omzwaaiers is vrijwel gelijk gebleven, hun relatieve aandeel nam dus af en wel tot 7 procent.

Met name in studierichtingen waarvoor een numerus fixus geldt is het aandeel van de 'omzwaaiers' groot: bij geneeskunde schommelt het rond de 15 procent van het aantal uiteindelijke eerstejaars, bij diergeneeskunde is dat zo'n 25 procent. Het gaat daarbij om studenten die het jaar daarvoor uitgeloot werden en in afwachting van het nieuwe studiejaar een andere studie volgden (ook wel 'parkeerstudie' genoemd). De toename van het aantal eerstejaars aan de universiteiten komt de laatste jaren geheel voor rekening van studenten die al een volledige opleiding in het hoger beroepsonderwijs achter de rug hebben.

In september 1989 hadden 3.230 (10 procent) van de eerstejaars in het voltijdse onderwijs al een hogeschooldiploma. Tien jaar eerder begonnen slechts 880 mensen na een hoger beroepsopleiding aan een universitaire studie. De stijging treedt vooral de laatste jaren op, na de invoering van de zogenaamde Harmonisatiewet, die juist beoogde om door een beperking van het recht op studiefinanciering het 'stapelen' van opleidingen tegen te gaan. Daarnaast hadden in 1989 bijna 1.000 eerstejaars studenten reeds aan een hogeschool een propaedeuse gehaald. Voornamelijk HAVO-leerlingen komen langs deze omweg de universiteit binnen.

In de jaren tachtig is ook de gemiddelde leeftijd van de student aanzienlijk gedaald. Dat is in belangrijke mate het gevolg van de invoering van de twee-fasen-structuur in 1982. Het aantal studenten van 30 jaar of ouder is daarna aanzienlijk gedaald. In het studiejaar 1979-1980 maakte deze groep nog 15 procent van de studenten uit, in het lopende studiejaar is dat nog maar 6 procent. Ook in de leeftijdsgroep 27 tot en met 29 jaar is er sprake van een aanzienlijke daling: van 12 tot 5 procent. Bijna 80 procent van de voltijdse studenten is nu 24 jaar of jonger, tien jaar geleden was dat nog geen 60 procent.

Het aantal vrouwelijke studenten is de laatste tien jaar verder toegenomen. Tien jaar geleden was bijna 30 procent vrouw, nu 40 procent. Van de eerstejaars is dit jaar bijna 44 procent vrouw. Bij letteren en sociale wetenschappen vormen vrouwelijke studenten bijna per traditie al een meerderheid, met uitschieters bij Spaans (82 procent), kunstgeschiedenis (72 procent) pedagogiek (75 procent) en psychologie (72 procent). Maar inmiddels vormen vrouwen ook bij de medische opleidingen de meerderheid. In 1979 was het aandeel van vrouwelijke studenten daar nog maar 36 procent.

De 'feminisering' zet fors door, want van de eerstejaars studenten geneeskunde was in september vorig jaar 62 procent vrouw. Ook bij rechten gaat het die kant op: deze studierichting telt 46 procent vrouwelijke studenten. In 1979 was dat 30 procent. Onder de eerstejaars rechten zijn de vrouwen in de meerderheid. Bij andere goed in de markt liggende studierichtingen blijven de vrouwen nog ver achter bij hun mannelijke soortgenoten: bij economie is van de studenten maar twintig procent vrouw (1979: 7 procent), bij bedrijfskunde 25 procent (was 8). In de beta- en technische wetenschappen groeit het aantal vrouwelijke studenten langzaam maar gestaag.

Bij wiskunde en natuurwetenschappen vormen zij inmiddels 29 procent (1979: 19 procent) en bij de technische wetenschappen 12 procent (was 5) van de populatie. Opvallende uitschieters zijn biologie (43 procent vrouw), farmacie (54 procent, in 1979 nog 28), bouwkunde (32) en industrieel ontwerpen (30). Daarentegen ligt het aantal vrouwen bij werktuigbouwkunde, elektrotechniek en lucht- en ruimtevaart onder de 5 procent.

In de sector wiskunde en natuurwetenschappen is het aantal eerstejaars studenten de laatste tien jaar vrijwel gelijk gebleven, ongeveer 2.500. Alle andere sectoren trokken grotere aantallen eerstejaars. De sterkste groeiers waren de technische wetenschappen, letteren, rechten (vooral in de eerste helft van de jaren tachtig totdat daar met studentenstops en plaatsingscommissies een rem op werd gezet) en economie, met name na 1984. Een fors deel van de eerstejaars studenten bij rechten en sociale wetenschappen studeert in deeltijd: als daarmee rekening wordt gehouden heeft rechten dit jaar zo'n 60 procent meer eerstejaars dan in 1979, bij sociale wetenschappen zou dat dertig procent zijn.

Bedrijfskunde en bestuurskunde kenden een explosieve groei. Bij bedrijfskunde groeide het aantal eerstejaars in tien jaar van ongeveer 100 tot bijna 1.400. Voor klassieke talen daalde de belangstelling met 60 procent, voor godgeleerdheid, Nederlands en biologie met zo'n 30 procent. Het aantal eerstejaars bij Duits is gehalveerd, bij Frans en Engels daarentegen steeg het met 30 procent.