Gehandicapten geholpen met sprekende muis en robothand

Technische hulpmiddelen voor gehandicapten zijn er niet veel, maar het aantal groeit. Steeds meer fabrikanten brengen invoer- en leesterminals voor blinden en slechtzienden op de markt en in Nederland heeft IBM deze maand de Stichting Informatica Helpt Gehandicapten in het leven geroepen: een informatiebaken voor alle gehandicapten die met computers willen werken (070-3192540). Er is dan ook nog veel werk te doen. Uit een onderzoek van het Instituut voor Revalidatie-Vraagstukken te Hoensbroek naar beroepen voor blinden- en slechtzienden blijkt dat de grootste problemen zich voordoen bij de verwerking van informatie die visueel gepresenteerd wordt. De fax verovert de wereld, maar het apparaat dat het faxschrift in braille omzet moet nog worden uitgevonden. Het wordt al helemaal moeilijk als de blinde voor zijn werk iets speciaals nodig heeft: een voltmeter die geluid maakt bijvoorbeeld, of een sprekend weerstation. Meestal moet daar een flinke prijs voor worden betaald en niet altijd wordt de aankoop vergoed. 'De apparaten die op de markt worden gebracht, overlappen elkaar nogal eens', zegt een woordvoerder van de Stichting Hulpmiddelenvoorziening voor Blinden en Slechtzienden (HBS) in Utrecht. De catalogus van de stichting, een nagenoeg volledige opsomming van in ons land verkrijgbare hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden, bevestigt dat: er is een ruime keuze aan leesloepen, reiswekkers met puntenindicatie en speelkaarten met reliefaanduiding. Zeldzaam tot uniek zijn daarentegen Engels- of Duitssprekende wetenschappelijke rekenmachines, audio-visuele waterpassen en geluidmakende regendetectors.

In Nederland is men jaloers op het Smith-Kettlewell Eye Research Institute in San Francisco, dat voor visueel-gehandicapten zeer geavanceerde apparatuur ontwikkelt: van doofblindenwekkers (een vibrerend apparaatje onder het kussen) tot draagbare braille-toetsenborden. De bekendste uitvinding van het instituut, dat 25 jaar geleden is voortgekomen uit de medische faculteit van de Stanford Universiteit, is Dexter: de robothand die met doof-blinden kan communiceren.

De communicatie met deze gehandicapten is niet eenvoudig. Men heeft doof-blinden wel zeemleren handschoenen aan laten trekken met gemerkte letters en cijfers, die door de gesprekspartner konden worden aangeraakt. Het zogenaamde vingerspellen blijft het meest effectieve communicatiemiddel. Bij deze techniek is voor elke letter van het alfabet een handvorm afgesproken. Studenten van de Stanford Universiteit kwamen enkele jaren geleden op het idee om een vingerspellende robothand te ontwikkelen en die aan een toetsenbord te koppelen. Om de robot de letter 'b' te laten spellen, hoeft men slechts de toets 'b' in te drukken. De robot haalt zo'n vier tekens (letters) per seconde. Het instituut heeft grote plannen met Dexter. Door de robothand met een telefoonlijn te verbinden, zouden doof-blinden kunnen telefoneren (dat kan nu ook al met telebraille, een brailletelefoon). Daarnaast wil men Dexter ondertitels van televisieprogramma's laten 'vertalen'. Daarvoor zal onder meer gebruik worden gemaakt van het reeds bestaande Braille TeleCaptioning System (BTS):een apparaat dat ondertitels in braille omzet.

Aan het instituut worden ook technische hulpmiddelen ontwikkeld voor het navigeren. Een apparaat genaamd Talking Signs vertelt de blinde of hij na een wandeling door de stad het goede gebouw voor zich heeft. Het apparaat werkt alleen als in het desbetreffende gebouw een klein zendertje is geinstalleerd, maar er wordt gewerkt aan een navigator waarbij sensoren uitrekenen in welke richting de blinde is gelopen en welke afstand hij heeft afgelegd. Aan de hand van deze gegevens kan worden bepaald waar de blinde zich ongeveer bevindt.

De meeste aandacht van het Smith-Kettlewell Institute gaat uit naar apparaten die door blinden moeilijk te bedienen zijn, zoals computers en schrijfmachines. De problemen op dit gebied zijn talrijk, verzekert Tom Fowle, de blinde programmeur van het instituut. 'Door de beperkte mogelijkheden die computers voor blinden bieden, kan ik mij geen fouten permitteren. Het komt er eigenlijk op neer dat ik elke instructie in mijn hoofd moet stampen.'

Toevallig heeft Fowle deze dag de Nederlandse braille-terminal Alva op zicht. Dit invoer- en leessysteem, ontwikkeld door het Arnhemse bedrijf Alva (Apparatuur Voor Lichamelijk Visueel En Auditief Gehandicapten), kan alle informatie op het beeldscherm van MS-DOS-computers in braille vertalen, waaronder schermattributen, keuzemenu's en grafische symbolen. De terminal kan door middel van een insteekkaart met de computer worden verbonden. Een platte 'leeslineaal' zet telkens een regel van 80 tekens om in een 8-punts brailleschrift. Het verplaatsen van de computercursor naar de gewenste positie op de leesregel gebeurt met behulp van aanraakschakelaars die zich direct boven de braillecellen bevinden.

Aan dit soort systemen is volgens Fowle geen gebrek. Zelf ontwikkelde het Smith-Kettlewell Institute Note-a-Braille, een elektronisch 'braillekladblok' dat desgewenst op een PC kan worden aangesloten. Teksten kunnen via de ingebouwde brailleregel onmiddellijk worden teruggelezen. Een andere toepassing is het woordherkenningssysteem SKERF-pad, waarbij de scherminformatie van computerprogramma's als WordStar, PC Write en Lotus 1-2-3 in spraak wordt omgezet. Een soortgelijk apparaat is ScreenReader, dat IBM voor haar PS/2 machines heeft ontwikkeld. Het begint al met praten als men de tekst via een apart toetsenbord invoert. Reuze handig, omdat tikfouten op deze manier onmiddellijk kunnen worden opgemerkt. ScreenReader spreekt Nederlands met een accent: het wachten is op een Nederlandse spraakchip.

Volgens Fowle kleven aan al deze systemen bezwaren. Grafische informatie kan zelden volledig worden weergegeven. 'Computerfabrikanten zouden de grafische informatie eigenlijk moeten standaardiseren, zodat we iconen en andere symbolen weer in gesproken woord zouden kunnen terugvertalen', zegt Fowle. Er bestaan natuurlijk wel braille-printers (VersaPoint en de Noorse Braillo 60 bijvoorbeeld), maar die zijn voor de particuliere computergebruiker nauwelijks te betalen: de prijzen varieren van 9000 tot 30.000 gulden. Aan alternatieven wordt gewerkt. Het Californische bedrijf Telesensory Systems (in Nederland vertegenwoordigt door Lameris uit Utrecht) ontwikkelde de Optacon II: een apparaat dat blinden in staat stelt zonder braille gedrukt schrift te lezen. Een kleine handcamera wordt over het papier geschoven, waarbij het opgenomen licht via een spiegel op een honderdtal lichtgevoelige cellen wordt geprojecteerd. Een chip geeft die informatie door aan een tastveld van twintig licht-vibrerende pennetjes. Elk pennetje correspondeert met een fotocel en zal gaan trillen zodra de camera een letter of teken registreert. Braille kopieer-apparaten als Thermoform en Copytherm maken via een vacuumvormingsproces zelfs relief-afbeeldingen van landkaarten en tekeningen. In Nederland werkt TNO in Delft samen het Instituut voor Revalidatie Vraagstukken (IRV) aan een relatief groot scherm, waarop behalve teksten ook tekeningen zouden kunnen worden weergegeven. TNO wil er nog weinig over kwijt, maar volgens ir. H. R. M. te Riele van het Produktcentrum TNO is het scherm opgebouwd uit een groot aantal vellen folie, die als de pagina's van een dichtgeslagen boek vertikaal in een behuizing zijn geplaatst. De (polymere) kunststof wordt piezo-elektrisch vervormd, zodanig dat de blinde met de vingertoppen puntjes kan voelen. Te Riele: 'Een andere mogelijkheid is om het hele scherm uit kleine puntjes op te bouwen, maar dat is technisch veel te ingewikkeld. Dan zou je elk puntje apart moeten aansturen.'

Aan het Smith-Kettlewell Institute wordt nagegaan of er behoefte bestaat aan een computermuis voor blinden. Sprekende muizen zijn er al wel (zij kunnen de positie van de cursor bijvoorbeeld in coordinaten opgeven), maar het probleem is dat de spraakmodule de snelle muisbewegingen niet kan bijbenen. IBM werkt al enige tijd aan een computermuis met braillecel. Hiermee zou telkens een letter tegelijk kunnen worden afgetast. Voor optimaal gebruik zijn volgens Tom Fowle van het Smith-Kettlewell Institute minstens vijf braillecellen nodig. 'In de praktijk vallen sommige toepassingen erg tegen. Fabrikanten kunnen nu eenmaal geen wonderen verrichten. Blinden informeren heel vaak naar kleurenherkenners, maar ik zou niet weten hoe je die zou kunnen maken.'