Furtwanglers advies: atonaliteit is zwendel

Mijn standpunt over Wilhelm Furtwangler, Duitslands leidende dirigent gedurende de jaren '33-'45, is inmiddels zo afgewogen en genuanceerd, dat ik er zelf haast misselijk van word.

Ik heb, denk ik, inmiddels vrijwel al het relevante materiaal bestudeerd: de memoires van Furtwanglers secretaresse Bertha Geissmar, het boek van zijn bewonderaarster Karla Hocker, de biografie van Joachim Matzner, de studie van Fred K. Prieberg over des dirigenten rol in het Derde Rijk, Furtwanglers eigen Gesprekken over Muziek benevens het boek van Elisabeth Furtwangler, 'geschreven' zei een criticus 'zonder de wierook waarmee de gemiddelde weduwe haar gedenkschriften pleegt te bezwangeren'.

Verder heb ik alle vijfentwintig radio-uitzendingen gehoord die de VPRO aan 'de eerste en de laatste dirigent' heeft gewijd, benevens het vijf uur durende mammoetforum met zowel Furtwanglers echtgenote als zijn biografen waarmee deze serie werd afgesloten.

Sindsdien weet ik: wat Wilhelm Furtwangler ook te verwijten viel, een nazi was hij niet.

Hij was zelfs een werkelijk groot, zij het beperkt kunstenaar. Bach en Mozart lagen hem niet, al dacht hij zelf van wel. In Bruckner, Wagner en vergelijkbare zenuwkietelende componisten was hij daarentegen onovertroffen. Zoals hij een carriere lang heeft geexcelleerd in Beethoven IX, maar dat is een zo emotioneel geelektriseerde symfonie dat deze, vind ik, onmogelijk slecht kan worden uitgevoerd, zelfs niet door de Postharmonie van Metselawier, voor deze speciale gelegenheid versterkt met twee mondorgels en een elektronisch aangedreven schuiftrompet. 'Hij was stellig, in tegenstelling tot Wagner, geen schurk', zegt de pianist Alfred Brendel mild. In de ledenlijsten van de NSDAP zoekt men zijn naam tevergeefs. Furtwangler was hoogstens het tegenstribbelende artistieke alibi van de cultuurlievende Joseph Goebbels en de zijnen. Onloochenbaar deed hij, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, alles om de joodse musici te beschermen Gustav Mahler en Felix Mendelssohn uitgezonderd.

Op zijn eigen, ingetogen wijze was hij zelfs een soort verzetsman: ooit waagde hij het om Dvoraks 'Nieuwe Wereld' op het repertoire te nemen, een symfonie die thematisch op nota bene negro spirituals is gebaseerd. En toen de dirigent in 1942 werd opgeroepen om de verjaardag van de Fuhrer op te luisteren, ontwikkelde hij een spontane spondylitis, een ontsteking aan hals en wervelkolom, die hem het betreden van het dirigeergestoelte onmogelijk maakte.

Goed, inmiddels weten wij dus hoe Wilhelm Furtwangler over de nazi's dacht.

Blijft de vraag: hoe dachten de nazi's over Wilhelm Furtwangler? In een Duits antiquariaat vond ik onlangs het boek Wilhelm Furtwangler, Weg und Wesen, geschreven door Friedrich Herzfeld en, in 1941, uitgegeven door het Wilhelm Goldmann Verlag te Leipzig. Hagiografische slijmballerij te over, natuurlijk. Reeds als jongeling was Furtwangler, gasterende in Lubeck, onverslaanbaar in Brahms' Hongaarse Dansen en Liszts Hongaarse Rhapsodieen.

'De heer Furtwangler is ongetwijfeld een groot muzikaal talent', constateerde de plaatselijke Eisenbahnzeitung, 'een talent dat zich, als de omstandigheden zich gunstig ontwikkelen, wellicht tot een genie kan ontwikkelen.' Even later werd hij beroepen in de vacature die Arthur Bodansky, inmiddels naar Amerika vertrokken, achterliet. Nu was Furtwangler hofkapelmeester in Mannheim. Tot veler opluchting: 'Zijn Duitse wijze van dirigeren onderscheidde zich op een weldadig verfrissende wijze van de hysterie waaraan zijn joodse voorganger zich placht te bezondigen.' In sneltreinvaart stoomde Furtwangler door naar de meest begeerde positie in het Duitsland van de jaren twintig: het leiderschap van de gereputeerde Berliner Philharmoniker. Niet tot aller genoegen. Zo deden de door 'diepe haat' gedreven 'joodse kranten' alles om 'een van hun eigen rasgenoten' (Bruno Walter, Otto Klemperer) op zijn plaats te manoeuvreren. Gelukkig, even later werd het Derde Rijk geboren. 'Op 30 januari 1933 veranderen in Duitsland zowel de politieke verhoudingen als het gehele Duitse leven.'

Daarin was voor mannen als Walter en Klemperer geen plaats meer. Even waren er enige moeilijkheden rond de componist Paul Hindemith, wiens werk de nazi's wat te schril in de oren klonk, een opvatting waartegen Furtwangler zich verzette. In 1935 sloten de partijen weer vrede. Met een programma dat exclusief aan de onomstreden Beethoven was gewijd. 'Op de eerste rij zat bijna de complete Rijksregering: de Fuhrer en Rijkskanselier Adolf Hitler, naast minister-president Hermann Goering, Rijksminister dr. Goebbels en vele anderen. Toen het publiek na afloop in de stoelen klom en luidkeels jubelend met de zakdoeken zwaaide, trad de Fuhrer op Wilhelm Furtwangler toe en reikte hem de hand. Deze handdruk bezegelde niet alleen een onvergetelijke avond, maar eveneens de onbreekbare band tussen het nieuwe Duitsland en zijn meest vooraanstaande dirigent.' Wilhelm Furtwangler was, aldus zijn biograaf, de belichaming van de 'onschuld' en het 'gezonde instinct'. Zijn interpretatie van de symfonieen van Anton Bruckner was in feite een religieuze belevenis. 'De langzame delen ontstaan in een Bruckneriaanse wijding, de componist die knielend de woorden 'Vater unser... 'en 'Gesegnet seist du, Maria... 'prevelde.'

Daarentegen waren 'atonale schreeuwlelijken' als Alban Berg en Arnold Schonberg bij Furtwangler aan het verkeerde adres. 'Zijn devies luidt: atonaliteit is zwendel.' Niettemin ging de dirigent de eigentijdse muziek bepaald niet uit de weg. Neem een Carl Orff. Of een Richard Strauss. En Hans Pfitzner, vanzelfsprekend, de meest Duitse aller Duitse toondichters, schrijver van de 'verrukkelijke cantate' Von deutscher Seele. Het zijn, vond Furtwangler, 'de indrukwekkendste scheppingen waarmede deze nieuwe tijd de Duitse Geest heeft bevrucht.' Samenvattend: Wilhelm Furtwangler constateert zijn biograaf was de Duitse mysticus par excellence, verklanker van het onzegbare, belichamer van het grenzeloos-oneindige, heerser over het rijk van het eeuwig-Duitse. 'In het hart van dit Rijk heeft Furtwangler zijn plaats gevonden.'

Het boek bevat een voetnoot, niet meer. Die mag er dan ook zijn. Ik citeer: 'Volgens het lexicon van de Joden in de Muziek, samengesteld in opdracht van de rijksleiding van de NSDAP, gebaseerd op van overheidswege geautoriseerde documenten, onder redactionele verantwoordelijkheid van dr. Theo Stengel, referendaris bij de Rijksmuziekkamer, in samenwerking met dr. Herbert Gerigk, leider van de Controledienst voor Geestelijke en Ideologische Scholing en Opvoeding der NSDAP, waren en zijn de navolgende in dit boek vermelde personen joden... '

Volgen de namen van de genoemde Arthur Bodansky, Bruno Walter, Otto Klemperer, Arnold Schonberg en al die anderen die inmiddels naar het buitenland waren verdreven.

Zo had Wilhelm Furtwangler in het Derde Rijk het rijk alleen, met als enige concurrent de jonge, ambitieuze Herbert von Karajan, die voor alle zekerheid niet een, maar twee keer lid van de partij was geworden. Anders dan Wilhelm Furtwangler, een mens wiens denkbeelden en repertoirekeuze niettemin zo aartsreactionair waren, dat zij naadloos in de cultuurpolitiek van Goebbels en de zijnen hebben gepast.