Eerste proeve van buitenlands WVC-beleid; Reyn van der Lugtals 'kunstpromotor' naar VS

ROTTERDAM, 28 juli Nog een krappe maand en dan vertrekt Reyn van der Lugt (41) naar New York als de 'ambassadeur van de Nederlandse kunsten'. Weg uit Rotterdam, waar hij tien jaar lang diverse functies bekleedde bij de Rotterdamse Kunststichting. Goede herinneringen bewaart hij aan de periode dat hij de architectuur-sectie onder zijn hoede had. Hij was onder meer betrokken bij de herbouw van cafe De Unie van J. J. P. Oud, organiseerde de architectuur-manifestatie Japan-Air en dirigeerde het festival Rotterdam '88. Nu is het afgelopen. De verhuiscontainer vaart al richting Amerikaanse oostkust, bestemming New York; Soho om precies te zijn.

In tegenstelling tot landen als Frankrijk, Italie en Egypte, waar de ondanks met sluiting bedreigde Nederlandse instituten zijn gevestigd, vertegenwoordigde in Amerika tot nu toe alleen de zogenaamd PCZ-attache (pers- en culturele zaken) op ambassade en consulaten onze culturele belangen. Grote instellingen zoals het Concertgebouworkest, het Stedelijk Museum in Amsterdam of het Nederlands Dans Theater zijn er meestal hun eigen gang gegaan en hebben er ter plekke hun programma's georganiseerd. Zowel in de representatieve, diplomatieke vertegenwoordiging als in het zelfstandig optreden van grotere culturele instellingen komt geen verandering.

Maar het is wel de bedoeling dat een Nederlander straks in opdracht van het ministerie van WVC vanuit een kantoortje op het Newyorkse consulaat zich presenteert als de promotor van de Nederlandse kunsten. Een eerste proeve van een buitenlands WVC-beleid. In 1992 zal besloten worden of het bij een eerste aanzet blijft, of dat de functie een definitief karakter krijgt. Hoe stelt Van der Lugt zich de immense taak voor om in dit werelddeel, inclusief een stuk Canada, de daar onbekende Nederlandse beeldende kunstenaars, architecten, toneel- en dansgezelschappen en orkesten te 'verkopen'? 'Eerst komt er een jaar van onderzoek, waarin ik relaties wil opbouwen met galeriehouders, conservatoren, programmeurs en vakjournalisten. Zij zijn de smaakmakers, zij kunnen beoordelen hoe interessant de Nederlandse kunst voor Amerika is. Ik zal me niet beperken tot New York, maar ook veel reizen, naar Chicago, Los Angeles en de Midwest bijvoorbeeld. Gesprekken voeren, een netwerk van relaties opbouwen, vertrouwen kweken; daar is nogal wat tijd voor nodig. Pas in het derde jaar kunnen er resultaten zichtbaar worden. 'In wat me daar te doen staat, zou ik gemakkelijk kunnen verdrinken. Mijn agenda is voor de eerste drie maanden aardig gevuld. Nu al komt er veel post uit Amerika. Ook in Nederland heb ik van alle kanten support gekregen. In juni heb ik een ronde gemaakt langs tientallen Nederlandse kunstinstellingen.

De door hen opgebouwde relaties kunnen mij weer verder helpen'. Wat verkoopt u straks het liefst? 'Beeldende kunst, dans en architectuur. De belangstelling voor Nederlandse muziekgezelschappen is al redelijk groot, theater- en dansexperimenten zijn tot nu toe minder geslaagd, temeer omdat de noodzakelijke publiciteit uitbleef. Het publiek vindt deze presentaties soms 'te Europees'. Wat beeldende kunst en architectuur betreft ligt er een groot terrein braak. Belgische galeriehouders hebben zich de laatste jaren met succes op Amerika georienteerd. Daar trek ik me aan op. 'Nee, namen van kunstenaars of gezelschappen noem ik nog niet. Het spreekt vanzelf dat ik selectief te werk ga en me niet door iedereen kan laten inschakelen. Dat zou ik alleen fysiek al niet aankunnen'. Waarom kan het ministerie van buitenlandse zaken via de ambassade en consulaten de culturele belangen niet behartigen? 'Een WVC-ambtenaar, gedetacheerd op een voorpost in New York, krijgt nu eenmaal andersoortige informatie dan een functionaris van buitenlandse zaken. Diplomaten moeten bovendien een aantal taken zien te combineren. Daardoor kunnen zij vaak niet anders dan een passief beleid voeren, reageren. Een jaarlijkse dienstreis is ook te weinig om op de hoogte te blijven van recente ontwikkelingen in Nederland. Ik kom straks drie of vier keer per jaar terug om voorstellingen en tentoonstellingen te zien'.

Vindt u die WVC-stationering niet wat laat. Amerika is toch al jarenlang het 'beloofde land' voor met name de beeldende kunstenaar? 'Het had inderdaad eerder moeten gebeuren. Het voordeel van deze vertraging is dat je nu weet welke fouten er zijn gemaakt. Een aantal jaren geleden heerste er ook een gunstiger klimaat dan nu. In een aantal circuits is de culturele aandacht inmiddels verschoven naar Oost-Europa en Latijns-Amerika. Dat zou anderzijds kunnen betekenen dat wij straks een goede uitzonderingspositie gaan innemen'.

Rekent u de uitwisselings-manifestatie Holland-Texas in '87 en '88 tot een van die fouten? Die investering heeft toch weinig blijvends opgeleverd? 'Ja, in Texas zijn onze verwachtingen niet uitgekomen. We hebben ontdekt dat dat niet het belangrijkste gebied van Amerika is. We waren er wel als eerste en enige, maar dat heeft averechts gewerkt. Die gebieden, waar de concurrentie groter is, New York bijvoorbeeld, blijken toch interessanter te zijn. 'Texas was min of meer een incident. Ik wil graag proberen iets structureels op te bouwen, waarin ook Amerikaanse particuliere fondsen bereid zijn te investeren. Met tientallen miljoenen guldens subsidie op zak de Nederlandse kunst promoten is niet interessant. Dat levert alleen acceptatie op, maar geen blijvende bedding, geen continuiteit. Ik kan dat laatste natuurlijk niet in mijn eentje bewerkstelligen. Ik geef een eerste aanzet, maar daarna zullen de kunstenaars, architecten en fotografen zelf een praktische rol moeten spelen.

Ze zullen op workshops, lezingen en groepstentoonstellingen zelf hun werk moeten presenteren. 'Architecten zouden op Amerikaanse instituten bijvoorbeeld seminars kunnen geven, waarbij zij laten zien hoe een beweging als De Stijl of de Nieuwe Zakelijkheid zich in de huidige ontwerpen van jonge Nederlandse architecten voortzet. Op die manier kunnen ze gelijkgestemde vakgenoten achter zich krijgen. Als de Nederlandse bouwwereld belangstelling toont, komen er misschien wel opdrachten uit voort. Het bemiddelen van publicaties in vakbladen of een gastcolumn, en niet alleen op het terrein van de architectuur, reken ik eveneens tot de mogelijkheden. 'Uiteindelijk moeten mijn inspanningen samen met de expertise van anderen resulteren in Nederlandse tentoonstellingen, voorstellingen en publicaties, waarbij speciale aandacht zal worden besteed aan affiches en catalogi, en de Amerikaanse publiciteitsmachine. De juiste Nederlandse personen moeten binnen de juiste instellingen, in het juiste klimaat worden ondergebracht. Wat sponsoring betreft, wil ik me eveneens gaan orienteren. Dit alles moet leiden tot de grote promotie van de Nederlandse cultuur in de jaren negentig. Dat klinkt utopisch, maar als ik daarvoor de tijd krijg en als de Nederlandse en Amerikaanse instellingen meewerken, moet het gaan lukken.'