Discussie staatkundige vernieuwing aangenaam maar traag

DEN HAAG, 28 juli In het begin overheerste de scepsis. Is dit allemaal niet al eens eerder gedaan en is er toen ook niets uit gekomen, was de meest gehoorde opmerking. Gaandeweg gingen de meeste deelnemers de discussie toch wel als 'aangenaam' ervaren. Maar nu al staat vast dat het project voor enkelen vol frustratie zal eindigen. De commissie-Deetman. Bedoeld om de zoveelste discussie over staatsrechtelijke vernieuwing nu eens niet van buitenaf aan te zwengelen, maar van binnenuit: door het parlement zelf. Begin januari gingen ze aan het werk. Zes fractievoorzitters, vijf gewone kamerleden en dat alles onder leiding van niemand minder dan de voorzitter van de Tweede Kamer zelf. Het voorgenomen tijdschema is nu reeds verlaten. De eerste rapportage aan de Tweede Kamer had er al moeten zijn, maar wordt nu pas in het najaar verwacht. Het zal zeker niet het eerste en enige uitstel zijn. Een tussenstand.

Volgens D66-leider Van Mierlo zou het moeten gaan om 'de kwaliteitsverbetering van het publieke domein'. Dat was in november van het vorig jaar toen hij enkele dagen voor het debat over de regeringsverklaring van het net geinstalleerde kabinet Lubbers Kok zijn collega-fractievoorzitters via een open brief te kennen gaf tijdens dat debat met enkele voorstellen te zullen komen om de discussie over staatkundige vernieuwing weer nieuw leven in te blazen. Had hij immers niet aan de vooravond van de verkiezingen tijdens het traditionele lijsttrekkersdebat voor iets dergelijks gepleit? En werd er ook niet in het toen kersverse regeerakkoord van CDA en PvdA gesproken over een 'breed politiek overleg' tussen de fracties in de Tweede Kamer om na te gaan of staatsrechtelijke en staatkundige vernieuwingen konden worden aangebracht? Van Mierlo hoefde niet lang te wachten op zijn 'speeltje' zoals het in de wandelgangen van het Binnenhof door sommige Kamerleden smalend werd genoemd. De Tweede Kamer nam tijdens het debat over de regeringsverklaring met alleen de stemmen van de kleine christelijke partijen tegen een motie aan waarin het presidium van de Tweede Kamer werd opgedragen met concrete voorstellen te komen voor een hernieuwd onderzoek. Kamervoorzitter Deetman, de eerst geadresseerde had er duidelijk zin in. Het was een prima gelegenheid voor hem om zich te ontworstelen aan de 'mythe' dat hij als niet goed functionerende minister van onderwijs was weggeparkeerd en verder door het leven zou moeten gaan als de opvolger van Dolman.

Begin januari stelde hij zijn collega-Kamerleden voor een bijzondere commissie in te stellen waarin in elk geval de fractievoorzitters van de grootste partijen zitting zouden moeten hebben. Hun voornaamste taak tot de zomer was het vervaardigen van een 'vraagpuntennota' waarover de voltallige Kamer zich dan weer zou moeten beraden. Het is hoog zomer, maar de Tweede Kamer heeft nog niets gekregen. De dag dat de Kamerleden met reces gingen zei commissievoorzitter Deetman in zijn hoedanigheid als Kamervoorzitter dat het 'hopelijk' het najaar zou worden. 'Ofschoon misschien een zekere haast geboden is, is overhaasting op dit terrein niet juist', aldus Deetman. Wat hij er toen niet bij zei is, dat als de Kamer het eerste rapport krijgt dit stuk ook veel meer zal bevatten dan louter vraagpunten. In de commissie wordt ook reeds intensief gedebatteerd over 'oplossingsrichtingen'. Van alles is ter discussie gesteld: het kiesstelsel, de gekozen minister president, het referendum, de verhouding tussen parlement en ambtenaren, de voorbereiding van wetsontwerpen, de positie van de Eerste Kamer, de gevolgen van de Europese eenwording, de verdeling van overheidstaken, de rol van de minister-president en nog heel wat andere punten. Het hele staatsbestel is overhoop gehaald, maar veel zal weer keurig op zijn plaats worden gezet.

Want, het is in Nederland allemaal nog niet zo slecht als wel eens wordt gesuggereerd, zo vinden vooral de vertegenwoordigers van de grote partijen in de commissie. In een ontwerp-versie van de algemene inleiding wordt dan ook gewaarschuwd voor al te hoog gespannen verwachtingen van staatkundige vernieuwing: 'Het inzicht is gegroeid dat veranderingen in de institutionele structuur niet vanzelf gedragsveranderingen teweeg brengen.' En als illustratie van die bewering wordt gewezen op de ervaringen van de laatste decennia. 'Ondanks onveranderde regels in ons eigen land is de gemiddelde duur van de kabinetsformatie sinds 1972 belangrijk verkort; ondanks onveranderde regels heeft zich een concentratie in de politieke partijvorming voorgedaan, geen versplintering; en ondanks onveranderde regels wordt bij verkiezingen wel degelijk vertrouwen gegeven of onthouden aan bepaalde personen.' Geruststellende woorden, maar inmiddels zit de schrik er in Den Haag bij sommigen goed in. Bij de ambtelijke toppen van een groot aantal departementen bijvoorbeeld. Want er is in de commissie toch maar gesproken over samenvoeging van het ministeries van binnenlandse zaken met dat van justitie, samenvoeging van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu met dat van Verkeer en Waterstaat, samenvoeging van het ministeries van WVC, met die van Onderwijs en Sociale zaken, samenvoeging van het ministerie van economische zaken met dat van Landbouw en Visserij. Een onhaalbare operatie daar is bijna iedere betrokken ambtenaar het over eens, maar de onrust blijft. In de commissie gaan de gedachten weliswaar nu meer uit naar minder ministers en meer staatssecretarissen, om ongeveer hetzelfde doel (verhoging van de efficiency, bestrijding van de verkokering) te bereiken, maar de onzalige samenvoegingsgedachten zijn wel geopperd.

Bovendien, zo weten de bedreigde ambtenaren, is die rage om naar een kleine, maar doeltreffende overheid te gaan nog steeds niet voorbij, getuige het laatste epistel van CDA-fractievoorzitter Brinkman. De man hoeft bij een volgende kabinetsformatie maar even de smaak te pakken te krijgen en de reorganisaties worden alsnog uitgevoerd.

Ook CDA-minister Van den Broek van buitenlandse zaken heeft al enkele ongemakkelijke ogenblikken gehad dankzij de werkzaamheden van de commissie Deetman. Hij is in opperste staat van paraatheid gebracht nu premier Lubbers heeft besloten met de commissie te gaan 'meedenken' over de positie van de minister-president. Vooral tijdens de halfjaarlijkse Europese top valt het Lubbers op: hij is maar gewoon primus interpares, terwijl zo veel van zijn collega's zich niet alleen regeringsleider mogen noemen, maar het ook echt zijn. Iets meer bevoegdheden respectievelijk mandaten zou hij wel willen hebben van zijn collega-ministers, zo heeft hij via notities van het ministerie van Algemene Zaken de commissie laten weten. Iets meer voor hem, nog minder voor mij, moet Van den Broek gedacht hebben toen hij partijgenoot Lubbers liet weten dat als zijn ideeen werkelijkheid werden hij maar een andere minister van buitenlandse zaken moest zoeken. Het meningsverschil is niet verder geescaleerd doordat andere CDA-ers Van den Broek en Lubbers er fijntjes op wezen dat als er al iets van de staatrechtelijke vernieuwing van de grond komt, zowel Lubbers als Van den Broek in elk geval al lang verdwenen zullen zijn.

Zo heeft de commissie Deetman al voor de nodige stormpjes weten te zorgen voordat er maar een stuk officieel naar buiten is gekomen. En voor frustratie. De grote animator van de commissie, D66-fractievoorzitter Van Mierlo heeft al bij voorbaat te horen gekregen dat een gekozen minister president er toch echt niet in zit, evenmin als het door hem gekoesterde beperkte districtenstelsel. Slechts een onderzoek naar het Westduitse systeem van twee stemmen, een voor een regionale kandidaat en een voor een landelijke lijst maakt enige kans van slagen. Aan een nieuwe discussie over het referendum durft de commissie na de ervaringen met de voorstellen van de comissie Biesheuvel nauwelijks meer te beginnen. Maar niet alles is onhaalbaar. Het voorstel om in het reglement van orde van de Tweede Kamer op te nemen dat het Kamerleden verboden wordt tijdens gewone commissievergaderingen te spreken door middel van vooraf opgestelde teksten, stuit op weinig verzet. Er komt dus echt wel wat uit.