Agrarische supermachten

DE GESCHIEDENIS kent een aaneenschakeling van boerenopstanden. Het stelsel van steun aan de agrarische sector, dat zich in de Verenigde Staten vanaf de New Deal in de jaren dertig en in West-Europa in de na-oorlogse jaren met de oprichting van de Europese Gemeenschap steeds verder ontwikkelde, heeft de sociaal-economische positie van de boeren drastisch verbeterd. Boerenprotesten zijn niet verdwenen, de schrijnende armoede op het platteland wel. Terwijl het aantal boeren gestaag afnam en de industrialisering van de landbouw voortschreed, raakten de boeren steeds minder afhankelijk van het weer en steeds meer van de overheden. De landbouw, in de beeldvorming het domein van zelfstandige boeren, is een van de meest gereguleerde sectoren van de Westerse economieen geworden. Agrarische ondernemers zijn verzekerd van hun afzet tegen gegarandeerde prijzen op een beschermde markt.

De herintroductie van marktprikkels is de kern van de onderhandelingen over liberalisatie van de landbouw, die zich al bijna vier jaar voortslepen in het kader van de GATT, het Algemeen Akkoord over Tarieven en Handel. Deze zogenoemde Uruguay-ronde, die eind dit jaar moet worden afgerond, omvat ook de liberalisatie van de handel in diensten, bescherming van intellectueel eigendom en vermindering van investeringsbeperkingen. Maar tussen de Verenigde Staten en de Europese Gemeenschap, met Japan langs de zijlijn, is de agrarische kwestie het meest conflictrijke onderdeel van de onderhandelingen.

DE VS ZOUDEN het liefst een volledige afschaffing van alle landbouwsteun willen, maar dit is voor de EG onbespreekbaar. In 1988 legden de VS zich neer bij het compromis dat zal worden gestreefd naar een drastische vermindering. Dat compromis werd twee weken geleden herhaald op de economische top in Houston van de Groep van zeven belangrijkste industrielanden. Deze week in Geneve besloten de VS en de EG om in augustus ernst te maken met de eigenlijke onderhandelingen. Die zullen worden gevoerd op basis van een rapport van de Nederlander Aart de Zeeuw, voorzitter van de landbouwcommissie van de GATT. De Zeeuw stelt voor om de binnenlandse steun aan boeren, de marktafscherming en de exportsubsidies voor landbouwprodukten in samenhang met elkaar te verminderen, met nadruk op de afbraak van exportsubsidies. Dat is voor de EG moeilijk te verteren: de Europese exportsubsidies ter waarde van zo'n 20 miljard gulden (per jaar) zijn bijna twintig keer zoveel als de Amerikaanse exportsteun van 550 miljoen dollar.

De twee agrarische supermachten zullen in de slotfase van de GATT-ronde grote moeite hebben om zich los te maken uit hun ingegraven posities. Vorige week herhaalde de Ierse EG-commissaris voor landbouw, MacSharry in een vraaggesprek met deze krant dat de EG er niet over piekert om de sociale en regionale elementen van de landbouwsteun op te geven. In de VS preken minister van landbouw Yeutter en handelsvertegenwoordiger Hills het evangelie van een vrije landbouwmarkt. Maar de landbouwcommissie van het Huis van Afgevaardigden heeft zojuist de laatste hand gelegd aan een nieuwe landbouwwet, die nog meer bescherming bevat dan haar voorganger. In 914 pagina's deelt de ontwerpwet federale steun uit aan pindaboeren en bijentelers, aan schapenhouders, tabaksplanters en suikerrietboeren.

DE VERENIGDE STATEN hebben een dringende reden om hun overheidssteun aan de landbouw te verminderen, want dat draagt bij aan de terugdringing van het federale tekort. Voor de EG ligt de ratio in afbraak van de landbouwsteun in het herstel van de markteconomie in Oost-Europa en in de dynamiek van de EG zelf. Oost-Europa heeft vrije afzet van landbouwprodukten naar de Westeuropese buurlanden nodig voor zijn economische herstel. Wat de EG betreft: nu de binnenmarkt van 1992, de monetaire unie en wellicht de politieke unie in het verschiet liggen, is het gemeenschappelijke landbouwbeleid niet langer nodig als bindmiddel van de Gemeenschap. Bovendien is bijna 100 miljard gulden belastinggeld en onnodig hoge prijzen voor voedselprodukten niet bepaald een efficiente manier om de inkomens van een afnemend aantal agrariers in de Gemeenschap te steunen.

Landbouwliberalisatie in de Westerse landen biedt de ontwikkelingslanden nieuwe exportmogelijkheden. De Wereldbank heeft uitgerekend dat een vrije internationale agrarische markt voor de ontwikkelingslanden meer oplevert dan alle hulp die nu door het Westen wordt verstrekt.

Zowel voor de VS als voor de EG is een drastische vermindering van de landbouwsteun als uitkomst van de GATT-onderhandelingen een zegen. Het zal moeilijke aanpassingen vragen van de boeren en de tractoren zullen zeker weer de straat op komen. Maar de tijd dat boerenopstanden de gang van de Westerse geschiedenis bepaalden, is voorbij. Voor die erkenning is wellicht politieke moed nodig. Het alternatief, mislukking van de GATT-ronde, zou een ramp van veel grotere politieke en economische omvang betekenen.