Wie een Eend rijdt heeft tijd van denken

GUARDA, 27 juli Na twintig jaar in allerlei soorten auto's te hebben gereden is het even wennen aan een Deux Chevaux. Het boxermotortje snort al te luidruchtig, de richtingwijzer voelt zo kwetsbaar dat hij bij gebruik lijkt af te breken, als een slak zit je met benen en armen om het stuur gerold en zo onheilspellend suist de tegenwind uit dashboardkleppen, ramen en dak dat je soms van de weeromstuit je hoofd bukt. Maar na een tiental kilometers op de autoweg naar Porto begint een bevrijd gevoel zich van mij meester te maken. De snelheid is matig, de Eend rijdt niet harder dan 100 kilometer per uur, waardoor de omgeving rustig bestudeerd kan worden.

In scherpe bochten klauwt het autootje zich bij extra gas nog vaster op de weg, hetgeen een aangenaam gevoel van veiligheid geeft en ik mis mijn stuurbekrachtiging geenszins. Het karretje loopt als vanzelf. Wie in een Eend rijdt heeft tijd van denken. Het open dak en de gemoedelijke manier van zich voortbewegen veroorzaken een aangename loomheid bij de chauffeur. Bij het passeren van een 'veiculo longo' wordt mijn stemming zelfs uitgelaten, ik roep 'joechei' en gooi nijn armen in de lucht. In mijn eigen auto zou ik voortracen en geconcentreerd moeten opletten welke gek van plan is plotseling naar links te schieten. De Lelijke Eend is een ware anti-stress auto. Welk een ontspannen voorrecht om een van de allerlaatste 2CV's van Lissabon naar Parijs te mogen rijden. Van zijn sterfbed terug naar zijn geboortegrond. Sterfbed, want in Mangualde, in noord-Portugal, wordt vandaag de allerlaatste Eend in elkaar geschroefd. Hij krijgt, evenals de mijne, bestemming Parijs, maar gaat naar het museum van Citroen, waar andere gedenkwaardige Citroen-automobielen staan als de A, de modellen uit de B-serie, de Traction Avant en de DS. De produktie van het merkwaardige autootje wordt gestaakt, omdat zij te duur is, de motor het milieu vervuilt, de vraag te onbeduidend is en de 2CV niet meer past in het high-tech superquality imago van Citroen.

Ik passeer, na Viseu en op weg naar Guarda, Mangualde. Een begrafenisgroet brengen aan de laatste Lelijke Eendenfabriek heeft geen zin, want Citroen weigert de deuren voor de pers te openen. Uit misplaatste schaamte over vooroorlogse produktiemethoden. Het liefst zouden de directieleden in Parijs de Eend geruisloos de nek omdraaien en stiekem begraven, om vervolgens een gloednieuwe fabriek, vol knikkende robots, aan de pers te kunnen showen. De laatste Portugese Eendenfabriek zal nieuw worden ingericht voor de produktie van de kleine AX. Als een gebruiksvoorwerp en niet als een statussymbool was de Eend in 1936 ontworpen. De enige eisen die het ontwerp hebben bepaald waren nut, kwaliteit en prijs. Door de oorlog kwam de eerste pas in 1949 op de weg, maar veroverde meteen het publiek. Eenenveertig jaar lang werd hij geproduceerd en gekocht om zijn doelmatigheid. De Eend is het symbool van een vernuftig produkt, dat zonder concessies aan mode of prestige een succes werd. Zo snel mogelijk wil ik het sterfland van de Eend verlaten en zijn geboortegrond bereiken. Portugal is geen Eendenland. Ik kom er slechts een tegen op de autoweg. Ik zwaai, zoals vroeger de eerste automobilisten of langer de motorrijders deden. Geen sjoege. De Eend stamt uit een tijd van verbondenheid, maar de huidige bestuurders zijn net zulke egocentristen als de BMW-bezitters. Vijftien jaar geleden versloeg ik in Portugal de Anjerrevolutie. In die tijd was de weg bezaaid met zeer oude, kleine, gammele voertuigen, die donkerzwarte rookwolken de lucht in ploften. Voetgangers staken de autowegen als slome Indiase koeien over. In de berm lagen dode aangereden ezels, paarden en honden te rotten. Hoewel Portugal nog steeds een van de armste landen van de EG is, ligt de weg er met moderne Franse allure bij.

In alle rust bestudeer ik het autootje, dat langzaam aan mijn rijgedrag begint te wennen. De stoelen zijn nog hetzelfde als 25 jaar geleden, toen ik mijn eerste Lelijke Eend kocht. Ze zitten heerlijk. Alleen de bekleding is anders, een groene schotse ruit met een rood lijntje en een soort sky-leer aan de zijkant. Nog altijd wordt een draaiknop bijgeleverd, waarmee de stand van de koplampen veranderd kan worden. Over de rode snavelneus van mijn Portugese 2CV heen kijk ik naar zijn bolle koplampen. Mijn Lelijke Eend is de enige deelnemer aan het Portugese verkeer, die nog eerlijke koplampen heeft, accenten waardoor een auto ogen en een menselijk gezicht krijgt. De andere weggebruikers hebben vale voorkanten met glazige ogen, die buiten westen lijken. Maar er is een trend terug, hele mooie automobielen hebben een luikje op de plaats waar hun soortgenoten glas hebben. Uit het luikje klapt 's avonds een heuse koplamp, een Nissan wordt Eend. Na 454 kilometer en 5 uur rijden stop ik voor Hotel Turismo, in Guarda, op 25 kilometer van de Spaanse grens. Het motorlawaai en de wind hebben me dorstig en zeer moe gemaakt.

Dit is de tweede aflevering over de teloorgang van de Lelijke Eend. Gisteren verscheen het eerste deel.