Vergoeding voor zeelieden

ROTTERDAM, 27 juli Nedlloyd Rederijdiensten heeft in 1983 220 buitenlandse zeelieden op onredelijke gronden ontslagen. De Rotterdamse rechtbank sommeerde Nedlloyd vanmorgen in een vonnis in hoger beroep tot de betaling van een schadevergoeding van minimaal duizend gulden aan de 118 werknemers die de zaak aanspanden.

Afhankelijk van de duur van hun dienstverband zal de rechter-commissaris per individuele werknemer bepalen hoe hoog de schadevergoeding werkelijk moet uitvallen. Ook wordt daarbij betrokken hoelang de werknemers na hun ontslag werkloos bleven. De rechtbank heeft geen maximum aan de uit te betalen schadevergoeding gesteld.

De zeelieden Spanjaarden, Portugezen en Kaapverdianen werden destijds ontslagen op grond van de Investeringspremieregeling Zeescheepvaart (IPZ). Die regeling schreef volgens Nedlloyd voor dat een reder alleen recht op subsidie had voor de bouw of renovatie van schepen als die werden bemand door Nederlandse zeelieden.

De zeelieden bestreden dat en stelden dat sprake was van discriminatie. De rechtbank stelde vanochtend dat van discriminatie geen sprake was, maar oordeelde niettemin dat de ontslagen destijds ten onrechte zijn uitgevaardigd.