Treinvervoer is toe aan standaardregeling

Na ruim twee jaar touwtrekken is de openbaar vervoerskaart voor studenten een feit. Met ingang van 1 januari zullen tegen de 600.000 studenten kosteloos per openbaar vervoer kunnen reizen. Met het gehele contract is ruim 400 miljoen gulden gemoeid. Op politiek (macro-) niveau is de zaak afgedaan.

Hoe zit het op micro-niveau? Artikel 32a Wet Studiefinanciering (WSF) bepaalt in overwegende mate de rechtspositie van de studerende bij het vervoer. Lid 1 verschaft de minister van O en W de bevoegdheid met een rechtspersoon overeen te komen dat deze de toekenning van de reisvoorziening en de beeindiging daarvan zal uitvoeren. Dat zal worden de OV-studentenjaarkaart bv te Rotterdam. Aangezien 'de reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een kaart voor het kosteloos reizen per openbaar vervoer, heeft die kaart geldigheid voor een bij ministeriele regeling vast te stellen periode' (art. 32a lid 2). Bedoelde regeling bepaalt ook de wijze van verlenging of vernieuwing. Lid 2 bevat verder nog de regel dat de toekenning vervalt op het tijdstip dat het recht op studiefinanciering vervalt, terwijl lid 3 aangeeft dat de studerende de kaart uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarop zijn recht op studiefinanciering is beeindigd inlevert op een door de bv te bepalen wijze.

De bereidheid tot het inleveren van een kaart met recht op een gratis faciliteit moet in het algemeen niet hoog worden aangeslagen. De wetgever onderkent dit. In 'de overeenkomst naar burgerlijk recht' (lid 4) die de studerende bij het ontvangen van de kaart met de bv sluit wordt in elk geval opgenomen dat hij 'voor elke kalendermaand of een gedeelte daarvan van de nog niet verstreken geldigheidsduur waarin hij in strijd met zijn verplichting de kaart niet inlevert, aan de verstrekker van die kaart een bedrag is verschuldigd ter grootte van het maandbedrag waarvoor een Openbaar Vervoer Jaarkaart voor een persoon, geldig in de tweede klasse van de trein, aan het publiek wordt aangeboden', aldus letterlijk lid 4 eerste zin. Dat is thans fl. 313,50.

Voorwaarden

Het openbaar vervoer, ook dat van studenten, heeft plaats onder bepaalde algemene vervoersvoorwaarden. Welke? Voor bus-, metro- en tramvervoer biedt de strippenkaart uitkomst. Daarop komt de zin voor: 'Voor het vervoer gelden de vervoersvoorwaarden'.

De gebruiker weet dat niet, maar bedoeld zijn de voorwaarden van de KNVTO, sedert begin dit jaar opgegaan in Nederlands Vervoer. Daarnaast kunnen openbaar (stads- of streek-) vervoersbedrijven nog eigen voorwaarden hanteren.

VU-medewerker Jongeneel heeft onlangs deze manier van verwijzen aan de kaak gesteld. Hij vraagt zich, gezien hun onvoldoende bepaaldheid, zelfs af of naar huidig recht de reiziger wel aan deze voorwaarden gebonden is. In het binnenkort van kracht wordende burgerlijk recht (Nieuw Burgerlijk Wetboek) leidt deze wijze van informeren omtrent algemene voorwaarden in elk geval tot vernietigbaarheid daarvan.

Genoemd wetboek kent een speciale afdeling, waarin vooral consumenten in bescherming worden genomen tegen eenzijdig geformuleerde algemene voorwaarden. Bedingen in algemene voorwaarden kunnen worden vernietigd indien deze onredelijk bezwarend zijn. Om de rechter te hulp te komen bevat de regeling twee lijsten (zwarte en grijze lijst), waarop 28 formuleringen van bedingen voorkomen die de wetgever in contracten met consumenten verbiedt of als verdacht beschouwt.

In het laatste geval neemt de wetgever onredelijke bezwarendheid van het beding aan, maar de ondernemer die de algemene voorwaarden hanteert mag rechtvaardigende omstandigheden aanvoeren. Bij gebreke van een wettelijke regeling omtrent algemene voorwaarden in het geldende privaatrecht neigt de Hoge Raad naar het reeds nu betekenis, zij het geen doorslaggevende, toekennen aan deze lijsten.

Dwingend

De wet zegt het: er komt een overeenkomst tussen de bv en de studerende. De hiervoor beschreven regeling bij niet-inlevering wordt 'in elk geval' als algemene voorwaarde in het contract met de studerende opgenomen. Van beoordeling in het licht van een zwarte of grijze lijst door de rechter kan geen sprake zijn, omdat de voorwaarde van dwingend recht is en men mag verwachten dat de rechter de formele wet niet toetst. De wet schrijft ook als contractuele voorwaarde een uitzondering op de boeteregeling voor bij niet-inlevering van de kaart. In geval van overmacht dan wel als redelijkerwijs inlevering niet kan worden gevergd moet voor elke kalendermaand of elk gedeelte daarvan van de nog niet verstreken geldigheidsduur aan de bv een bedrag van fl. 61 over die maand worden betaald.

Tenslotte dicteert de wet (lid 5) dat de studerende die ten onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt over die maand jegens de bv aanspraak heeft op een bedrag ten grootte van fl. 61, mits hij meer dan drie maanden voor het begin van die maand zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt.

Het valt op dat de wet niet voorschrijft dat deze laatste bepaling in het contract moet worden opgenomen. Het valt ook op dat dit bedrag lager is dan in het omgekeerde geval dat de bv wegens niet-inlevering van de kaart de studerende aanspreekt. Hoewel wettelijk de schadevergoedingsplicht voor dit bijzondere geval wordt beperkt lijkt het niet uitgesloten dat de rechter een hoger bedrag zal toekennen (vermogensschade, proceskosten). Andere voorwaarden, dan degene die de WSF voorziet, kunnen natuurlijk ook worden opgenomen. Naar komend recht dienen deze aan de nieuwe wettelijke regeling te voldoen. Bij voorbeeld de voorwaarde: bij verlies of diefstal wordt geen vervangende OV-jaarkaart verstrekt. Een dergelijk beding, dat strekt tot verval van rechten, lijkt mij vernietigbaar, zo niet reeds nietig.

Struikgewas

Het moge duidelijk zijn dat op het micro-niveau van het vervoerscontract de OV-jaarkaart nog allerminst in het vat zit. Hoe worden gerechtigden over de toepasselijke voorwaarden (en, nu stads- en streekvervoerders meedoen, welke?) geinformeerd? Wat geschiedt indien een student met recht op studiefinanciering niet met deze voorwaarden akkoord gaat? Geheel uniek is de problematiek niet. Personenvervoer per trein wordt onder meer gereguleerd door de Wet Personenvervoer en het daaraan annexe Besluit, de Wet Overeenkomst Binnenlands Openbaar Personenvervoer, het NS-reizigerstarief en de NS-regeling restitutie-verlening en duplikaat-verstrekking. Begin juni van dit jaar is het overleg binnen de Commissie voor Consumentenaangelegenheden (CCA) van de SER tussen de NS en consumentenorganisaties over het geheel van voorwaarden voor het reizigersvervoer per trein afgesloten.

Wat voor banken (algemene bankvoorwaarden), Postbank en PTT (voorwaarden postzendingen, telefoon en dergelijke) of in de reissector (ANVR-reisvoorwaarden) in SER/CCA-verband wel lukt, struikelt voor het treinvervoer op een struikgewas aan regelgeving. In het geval van het toekennen en beeindigen van de OV-studentenjaarkaart komt daar nog de verplichte koppeling met de WSF bij.

Het al vermelde Nieuw BW zal de mogelijkheid introduceren dat een overeenkomst mede wordt onderworpen aan een standaardregeling. Deze wordt vastgesteld door een door de minister van justitie te benoemen commissie, die overwegend rerpesentatief voor het desbetreffende deel van een bedrijfstak is samengesteld. Een dergelijke standaardregeling resulteert in materiele wetgeving die in principe van rechtswege van toepassing is op de in dat deel van de bedrijfstak gesloten overeenkomst. Van rechtswege, automatische gelding impliceert dat afzonderlijk informeren over de toepasselijkheid van bepaalde vervoersvoorwaarden rechtens niet verplicht zal zijn.

Het lijkt gewenst reeds nu de minister van justitie te verzoeken te bevorderen dat de standaardregeling bij wijze van wetgevende 'voortrein' wordt ingevoerd, opdat een commissie met spoed een standaardregeling voor treinvervoer tot stand brengt, waarin op evenwichtige wijze de rechtspositie van de studerende en die van de andere reizigers wordt geregeld.