Safaripak

(naar het Engels)

Ik zag een scheepje zeilen, Zeilen op de zee, En O, wat bracht dat schip Een lekkers voor je mee!

Vol chocolaadjes was het ruim, Vol appels de kajuit, En zakken vol met zoute drop Puilden de stuurhut uit.

De zeventien matrozen, Daar op het tussendek, Waren zeventien witte muizen Met ketens om hun nek.

De schipper was een eend, Met een safaripak. En weet je wat de schipper riep, Toen 't schip de haven binnenliep? De schipper riep: kwak! kwak!

Visvangst

Een, twee, drie, vier, vijf Mij geen vissen aan mijn lijf! Ik had laatst aan de waterkant Een vis gevangen met mijn hand;

Zes, zeven, acht, negen, tien, Ik kan 'm niet meer laten zien.

Want een ogenblikje later Gooide ik hem weer in het water.

Wat had die vis dan wel gedaan Dat je 'm weer hebt laten gaan? Als je dat beslist moet weten: Hij had mijn vinger zo gebeten.

Welke vinger aan welke hand? Deze hier aan de rechterkant.