Pocket

Wanneer een jonge vrouw in Marlen Haushofers verhalenbundel Die Frau mit den interessanten Traumen (DTV, fl. 13,60) haar echtgenoot elke morgen uitgebreid verveelt met haar droomverslagen, dreigt deze een scheiding aan te vragen. Maar hij krabbelt al gauw terug als blijkt dat zijn vrouw best zonder zijn aandacht kan. Voor Haushofer is dit allerminst een triomf van de echtgenote; daarvoor is de vrouw te zeer in zichzelf gekeerd.

In een notedop vertelt dit verhaal waar het bij Haushofer om gaat. Een andere goede inleiding tot het werk van deze schrijfster is de bundel Begegnung mit dem Fremden (DTV, fl. 13,60). Haushofer roept hier in korte schetsen een beklemmende sfeer op, waardoor de alledaagse ellende van in een hoekje getrapte huisvrouwen de dimensie van een wereldondergang krijgt.

De verhalen kunnen als opstapje worden beschouwd naar de roman Die Wand, onlangs opnieuw bij Ullstein (fl. 13,60) uitgegeven. Een van de belangrijkste boeken uit de Duitstalige literatuur van na de oorlog is hiermee eindelijk weer verkrijgbaar. Die Wand bestaat uit de dagboekaantekeningen van een vrouw die zich als een tweede Robinson Crusoe staande moet zien te houden wanneer een onzichtbare wand haar scheidt van de rest van de wereld.

Haushofer schreef Die Wand in 1963, in een tijd van grote internationale spanning. Is de onzichtbare wand ontstaan als gevolg van een Derde Wereldoorlog? Dat laat de schrijfster in het midden. Het ligt voor de hand dat de mannelijke zucht om met oorlogsspeeltuig te experimenteren de ramp heeft veroorzaakt. Er zit voor de vrouw een positief aspect aan haar isolement: ze hoeft zichzelf niet meer weg te cijferen zoals vroeger, toen ze als huisvrouw alleen oog voor de noden van man en kinderen mocht hebben.

Die Wand zit vol existentialistische problemen die niet alleen vrouwen aangaan. Het biedt geen eindeloos getheoretiseer, zoals veel andere boeken uit de deprimerende serie 'Die Frau in der Literatur' waarin het verscheen, maar subtiele vertelkunst. De vroeg-christelijke metropoliet van het Noordafrikaanse Ptolemais, Synesios, was de eerste kerkleider die over een vijand van de kerk de ban uitsprak. Hoe hij daar toe kwam is te lezen in Stefan Andres' roman Die Versuchung des Synesios (Piper, fl. 26,50). Het verhaal wordt verteld door zijn vrouw Prisce nadat Synesios op raadselachtige wijze is verdwenen en zijn grootste tegenstrever zijn plaats heeft ingenomen. Deze man, de verraderlijke Laokoon, heeft in zijn biografie over Synesios de waarheid behoorlijk geweld aangedaan en dat wil Prisce recht zetten.

Hoewel ook Prisce in Laokoons biografie door het slijk wordt gehaald, overschrijdt zij in haar verweer nooit de grenzen van het betamelijke. Dat is spijtig: iets meer dramatiek had het boek geen kwaad gedaan. Op zichzelf is het verhaal spannend genoeg. Synesios werpt zich op als de verdediger van de zwakken. In een veldslag vernedert hij de corrupte Andronikos die de belastingen hoog opschroeft en het land aan de rand van de afgrond brengt. Het mag niet baten: de woestijnvolkeren vernietigen deze met heremieten en zuilenheiligen bevolkte cultuur.

Verschillende uitgeverijen brengen speciale zomerboeken op de markt. Je kunt je niet met alle boeken even goed op het vakantiestrand vertonen. Het beste in dit genre is het Reisetaschenbuch (DTV, fl. 14,90). Hier is het tenminste niet alleen romantiek en leutigheid wat de klok slaat. Reisverhalenschrijver Horst Krugers verslag van een bezoek aan Paestum stemt tot nadenken omdat het zoveel vooroordelen bevestigt.

Volgens Kruger zijn er geen professionelere vakantiegangers dan de Duitsers, wat hij verklaart met een verwijzing naar hun militaire inborst: 'Vrijetijdsbesteding is een vorm van dienst. 'De Duitse hang naar het zuiden leidt er al jaren toe dat in sommige delen van Zuid-Europa de voertaal 'szomers Duits is. Zo constateert Kruger dat Paestum 'vast in Duitse handen' ligt. Zelfs de waarschuwingsbordjes in zee zijn in het Duits. Zijn diagnose geeft Kruger met een nauwelijks waarneembare knipoog: 'Op de bodem van onze Duitse ziel moet toch iets zeer Grieks en oeroud klassieks liggen.' De Oostenrijker Dietmar Grieser bedreef nog voor de val van het IJzeren Gordijn literair toerisme in Midden- en Oost-Europa. Hij beschrijft zijn reizen in Schauplatze osterreichischer Literatur (Ullstein, fl. 14,40). Waar Grieser de lokaties uit beroemde romans beschrijft, sloeg bij mij de verveling toe. Aardiger is zijn reis naar het Russische Grodek, dat hij kent uit het laatste gedicht van de dichter Georg Trakl. Die stierf kort na deze veldslag. Trakls gedicht vereeuwigde het gruwelijke slagveld van Grodek; nu is die naam symbool van de dood. Voor de Russische autoriteiten kan het gehucht in de Oekraine daarom geen serieus reisdoel zijn. Maar de directeur van Intourist beweert gul dat Grieser Grodek 'vanzelfsprekend' kan bezoeken: 'Er gelden in de Sovjet-Unie immers geen reisbeperkingen.' Je ziet het voor je: Grieser heeft het bureautje van Intourist nog niet verlaten of de directeur belt naar de Russische grens met de mededeling dat deze westerse speurneus onder geen voorwaarde in Grodek mag uitstappen. Grieser krijgt Grodek inderdaad alleen vanuit de voortrazende trein te zien. 'Dit boek is een liefdesverklaring aan de filosofie, 'opent Rudiger Safranski zijn biografie Schopenhauer und Die wilden Jahre der Philosophie (Rororo, fl. 29,50). Je vreest het ergste, maar het lezen van dit boek is een groot genoegen. Safranski brengt geen eenzijdige ode aan Schopenhauer, maar belicht eerlijk de onaangename kanten van deze beroepsquerulant. Zijn hele leven lang leed Schopenhauer onder het gevoel dat zijn beroemde moeder, de schrijfster Johanna Schopenhauer, hem overschaduwde, en daarom kwetste hij haar zoveel mogelijk. In Rome kreeg hij het aan de stok met de Duitse kolonie die zich rokend, drinkend en debatterend ophield in cafe Greco; hij koos het hazepad voordat men hem eruit kon gooien.

Van grote eruditie getuigt de behandeling van Schopenhauers verhouding tot Goethe. Safranski ontleedt een enkele reactie van Goethe op Schopenhauers werk, geeft aan wat die reactie voor Schopenhauer betekende en demonstreert vervolgens hoe Goethe diens gedachtengoed opnam in zijn eigen werk.

Volgens de beste Duitse traditie voegde Safranski een degelijk notenapparaat aan zijn betoog toe, maar dat gebruik je niet om zijn beweringen te controleren; het is een stimulans voor verder lezen.

In het verhaal 'Das Trauerhaus' van Franz Werfel (1890-1945) staat de in Praag welbekende 'Mijnheer Max' aan het hoofd van een chique bordeel. Zoals elke avond verspreiden de gasten zich, naar gelang hun status, over de drie salons, 'de grote, de blauwe en de Japanse'. Laatstgenoemde is het exclusiefst, in de 'blauwe' geldt de verplichting champagne te consumeren en in de 'grote' hakt een reumatische pianist achter een valse piano meedogenloos walsjes en meezingers fijn.

Een van de meisjes in dit huis van plezier heeft het hoog in de bol; ze is verliefd en weigert met een ploertige 'agrarier' naar haar kamertje te gaan. Hierop breekt een vechtpartij tussen de werkneemsters uit, die onderbroken wordt door de mededeling dat in Sarajewo de troonopvolger is vermoord. Onmiddellijk stroomt het bordeel leeg. Wanneer als klap op de vuurpijl mijnheer Max aan een ziekte overlijdt die hij al geruime tijd onder de leden heeft, 'decadentie' genaamd, is het duidelijk dat deze gedenkwaardige avond het einde van een tijdperk markeert. 'Das Trauerhaus' is een luchtig verteld verhaal. Het staat in de verhalenbundel Die Entfremdung (Fischer, fl. 19,05), die deel uitmaakt van het verzameld werk van Werfel.