Melkveehouder verdient meer door quotering

DEN HAAG, 27 juli Het gemiddelde inkomen van Nederlandse melkveehouders is de laatste vijf jaar met ongeveer vijftig procent toegenomen. Dat is het gevolg van de in april 1984 door de Europese Gemeenschap ingevoerde systeem van de superheffing op melk.

Dit schrijft minister Braks (landbouw) in de Evaluatienota over de superheffing op melk die hij gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Volgens Braks heeft de strafsanctie op te veel zuivelproduktie in het algemeen goed gewerkt, ook al is het melkquoteringssysteem volgens hem nogal bureaucratisch en rigide van opzet. Bedoeling van dat systeem was dat de totale Europese zuivelproduktie flink zou worden ingedamd. In 1984 was er een Europese boterberg van 850.000 ton en een surplus van 980.000 ton aan magere melkpoeder. Door het nieuwe beleid werd de melkveehouderij economisch aantrekkelijker omdat melkboeren met minder koeien toch dezelfde hoeveelheid melk konden produceren. Daardoor gingen de bedrijfskosten omlaag. Met als bijkomend verschijnsel dat in Nederland de melkgift per koe een sterke stijging (circa 15 procent) te zien gaf. Dat het gemiddeld jaarinkomen van de Nederlandse melkveehouder van 63.300 gulden in 1984 tot 94.600 gulden in 1988 is gestegen heeft ook te maken met de verhoging van de Europese melkprijs. Minister Braks laat blijken dat de Europese melkproduktie nauwelijks minder is geworden, dat de toch al sterke Europese positie op de wereldzuivelmarkt sinds 1984 er nog sterker op is geworden en dat het melkquoteringssysteem de positie van melkveehouders in structureel opzicht sterk heeft verbeterd. Nergens in de EG hebben de boeren volgens Braks zo zeer geprofiteerd van het Europese zuivelbeleid als in Nederland. Per gemiddeld melkveebedrijf ging in Nederland het inkomen met 49 procent omhoog, 28 procent in Frankrijk en 20 procent in West-Duitsland terwijl Deense melkboeren met een achteruitgang van 22 procent te kampen kregen. Volgens de bewindsman heeft de heffing de structurele ontwikkeling in de Nederlandse melkveehouderij 'bepaald niet vertraagd'.

Als nadeel van het Europese zuivelbeleid signaleert Braks echter dat de superheffing de prijsontwikkeling van de grond waarop melkproduktierechten rusten, belemmert. De hoge prijzen die worden betaald leiden tot verhoging van de kosten bij bedrijfsovername. Toch voelt hij er niets voor om in te grijpen in de handel in grond met produktierechten. Omdat de Europese zuivelproduktie in de jaren 1974-1984 met dertig procent was toegenomen terwijl binnen de EG de vraag met maar vijf procent steeg en de opslag van overtollige hoeveelheden steeds kostbaarder werd, is in 1984 tot instelling van de heffing besloten. Eerst voor vijf jaar. In 1988 werd zij verlengd tot 1992. Aanvankelijk moesten de veehouders die meer melk produceerden dan hun quotum toestond, over de teveel geproduceerde melk een heffing betaling van 75 procent. Met ingang van het in april begonnen melkjaar 1990/ 1991 is deze heffing verhoogd tot 115 procent. Braks blijft bij zijn stelling dat de superheffing voorlopig nog wel zal blijven bestaan. Hoewel hij voorstander van verandering is, is daarvoor binnen de EG onvoldoende politiek draagvlak aanwezig.

De Nederlandse minister denkt wel aan de invoering van een zogenaamd tweeprijzenstelsel. Bij een dergelijk stelsel krijgen melkveehouders voor een deel van hun produktie de volle prijs. Voor hun 'overproduktie' krijgen zij een lagere prijs, bijvoorbeeld de wereldmarktprijs.

Een bezwaar van een dergelijke systeem voor Nederlandse melkveehouders is dat zij verhoudingsgewijs veel van hun melk en daarvan gemaakte produkten uitvoeren naar landen buiten de EG. Braks vindt dat het systeem in ieder geval moet worden aangepast en denkt daarbij aan een geleidelijke verlaging van circa dertig procent van de richtprijs voor melk en de prijzen waarvoor de EG boter en magere melkpoeder opkoopt. Een dergelijke verlaging moet worden gekoppeld aan een geleidelijke daling van de heffing.