Gebeten

Een man staat altijd achter glastussen luchtwortels en reizigersboomen hij is gebeten door een slang.

Hij tikt met nagels zijn schaal van kleren los, op zijn kop krijgt hij al benauwde rimpels; een vliegend hert van spanning klopt in zijn schedelaan en aan; hij wacht op de momenten dat de gatenvan de planten samenvallen, dat hij zicht krijgtop de grenzen van de ruimte waar hij staat.

Buiten merkt men dat in de hortus iets ongehoordsgebeurt. Een getuige in een leren jas, helderen luid, lachend, legt uit dat zo'n gebeten manalleen maar woorden stamelt, dat er geen wonderlijkinsekt uitkruipt, dat de jungle in ieders kopin pot en reageerbuis tot perk dient opgelost, en, hij oreert, niemand op aarde van wie de doodonverdraaglijk is, met wie wij samen uit het zichtzullen verdwijnen. De leren jas is klaar.

De kennis van de gewichtigen reikt nietverder dan de laagste zeedruif, geheime namenvan de vogels en de kevers roepenzij door elkaar. Zij zoeken geen woordendie werken als een luchtig tegengif, als een mes in handen om een wond te hakken, als koel reservoir met water in de bladeren.

De wereld zakt al scheef. Dan slaanmet harde sisgeluiden de verstuivers aan.

Zijn ademhaling gaat nu zwaarder. Hij kent het vuur dat in zijn botten kruipt, de klemmen die zijn bloedstroom onderbreken, de scherpe kaken in zijn hersenblazen.

Over de vergeven vijver met de rode varenszoekt de slang naar een herboren vogel en hoorteen woord, een bries van een gevleugeld hert.