De waag verworden tot rijwielstalling

Het gemeentebestuur van Almelo moet indertijd een beetje achter hebben gelopen. Nog in 1913 bouwde de stad een nieuwe waag. Zij dacht zo de handel in boter, vlees en eieren te stimuleren. Een ijdele hoop: de opbloei bleek slechts tijdelijk. En ook het tijdperk van de goederenwagen was eigenlijk al enige decennia voorbij. Tegenwoordig is de Almelose waag een rijwielstalling.

Dat is geen droever lot dan de meeste andere Nederlandse waaggebouwen trof, zoals te zien valt op de tentoonstelling 'Het Waagstuk' die het Deventer museum De Waag deze zomer heeft ingericht. Van de zeventig waaggebouwen die voor de tentoonstelling zijn gefotografeerd en beschreven, zijn er nog slechts drie in gebruik: de kaaswaag van Alkmaar, de Vlaardingse waag en de 'heksenwaag' van Oudewater. Zij dienen echter geen ander doel dan het tourisme. De ware functie van de waag, het wegen van groothandelsgoederen, ging reeds teloor met de industrialisatie: sindsdien worden goederen in de fabriek al gewogen en verpakt. Daarnaast leverden producenten steeds vaker hun handelswaar rechtstreeks aan de afnemer. Er was geen marktplein meer nodig om handel te kunnen drijven en geen overheid als onpartijdig wegende instantie.

Vanaf de elfde eeuw, toen waarschijnlijk de eerste wagen in Nederland werden opgericht, tot aan het einde van de vorige eeuw speelde de waag echter een grote rol in het maatschappelijk leven. Liggend aan de markt of de haven was zij de plaats waar vrijwel alle binnenkomende goederen ten behoeve van de handel werden gewogen. Tegelijkertijd berekende de stad er accijnzen over. Die vormden een aanzienlijke inkomstenbron. Na het stadhuis was de waag dan ook het belangrijkste overheidsgebouw.

Toch is dat aan de architectuur zelden af te zien. Net als ziekenhuizen en zwembaden zijn wagen een vorm van utiliteitsbouw, maar een waarvoor doorgaans niet al te diep in de buidel werd getast. Bij de meeste heeft slechts het voorbijgaan van de tijd ze een aardig, want gedateerd uiterlijk gegeven. Alleen in steden als Leiden en Gouda waren de stadsbesturen wat minder zuinig. In beide steden kreeg in de zeventiende eeuw bijvoorbeeld de beroemde Haarlemse bouwmeester Pieter Post het ontwerp ervoor toevertrouwd, zoals men er in Hoorn Hendrick de Keyser voor aanzocht. Hoe groot het belang van de waag ook geweest mag zijn, in Deventer en in de catalogus bij de tentoonstelling blijkt dat het moeilijk is om dat belang op een aantrekkelijke manier tastbaar te maken. Gewichten, balansen, ordonnanties en tekeningen kunnen weinig meer vertellen dan het meest voor de hand liggende: hier werd gewogen. Het geloei van prijskoeien op de schaal, de geur van turf en koffie, de winsten en de verliezen van de kooplui, de quasi-berispingen van het Amsterdamse stadsbestuur aan de waagmeesters die in de zeventiende eeuw het pond steeds zwaarder maakten omdat dat verkopende handelaren aantrok: de bezoeker moet het erbij denken.

Wat helpt, is dat de tentoonstelling wordt gehouden in de prachtig gerestaureerde waag van Deventer, stammend uit 1528. Dat gebouw heeft het geluk gehad, een nieuwe functie als museum te krijgen. De meeste van haar zusjes, voor zover ze niet al in de vorige eeuw zijn afgebroken, herbergen de plaatselijke VVV-kantoren, of dienen als opslagplaats voor marktkramen.