De vrijheid om niets te hoeven willen

Cel 027, begane grond. Huis van bewaring. De Boschpoort, Breda. De stalen deur sluit achter me, het gordijntje voor het kijkgat wordt teruggeslagen. Ik doe mijn jas uit, leg schrijfblok en pen op tafel, draai aan de radioknop op het bedieningspaneel, maar de keuze is beperkt tot zenders die toevallig mijn smaak niet zijn. De schemerige ruimte loopt door de ronde vorm van de koepel tapsgewijs toe naar de muur, waarin een half ovaalvormig, getralied raam is uitgespaard. Ik trek de houten stoel naar het raam en probeer op mijn tenen boven het draadglas uit naar buiten te kijken. Een blinde muur met rechts daarvan nog net de kerktoren boven de nokken van de gevangenisgebouwen. In de Bijlmerbajes, vertelt een gedetineerde later, zijn er grote ramen met veel uitzicht, zodat je ieder moment van de dag wordt herinnerd aan wat je mist. Terwijl ik van de stoel spring, draait de deur open. Of ik thee wil. Zonder veel omhaal gaat de deur weer op slot.

In de open kast boven de vastgeklonken tafel staan een bord en twee glazen klaar, met het botte mes kun je nog geen boterham snijden. Daarnaast een kapotte televisie, die voor zes gulden per week gehuurd kan worden, ongeveer een kwart van het wekelijks werkloon. Ik voel me ondanks maagdelijk strafblad enigszins solidair met mijn voorgangers in cel 027. Mea culpa, hoe dan ook. Op het prikbord lees ik hoelang anderen hier zaten. Vooral R. uit Steenbergen heeft sporen achtergelaten; overal, op de kast, op de muur, op het prikbord staan naam en datum van opsluiting, naast voetbalclubs, doorgestreepte dagen en groeten. See you later. Velen willen sporen achterlaten. Ook Fischer, een van 'de vier van Breda'; op de luchtplaats heeft hij een vijvertje aangelegd.

Hier zit ik dan, vrouw in een mannengemeenschap. Het thuisfront probeerde voorzichtig of er geen aardig alternatief was voor een dagje uit; zeker, een klooster met zwijgplicht of een kerncentrale, maar deze eindbestemming, dichtbij huis en tegelijk fascinerend ver weg, bleef eerste keus. Ik fiets vaak langs de gracht met de Koepel, die dreigend boven het stadsgezicht uitstijgt, slechts voorbijgestreefd door de toren van de Grote Kerk, die van nog dichterbij de hemel kietelt. De vorm is volmaakt vicieus, symbool voor de cirkelgang maatschappij-vrijheidsstraf-maatschappij-vrijheidsstraf.

Er trilt drie keer een zoemer door het gebouw; vijf voor acht: tijd om je klaar te maken voor het werk. Stemmen weerkaatsen galmend langs de ronding van het gebouw. Ik vraag me af of ik word vergeten. Sloffende voeten gaan voorbij tot ook mijn deur opengaat en een bewaarder mij de weg naar de werkzaal buiten de koepel wijst. Langs een zuil waarop wolken en blauwe lucht zijn geschilderd loop ik door een immense ruimte, tientallen ogen zijn op mij gericht. In de werkzaal laat de werkmeester me plastic van electriciteitsdraad afstropen. Na een half uurtje volg ik elke twee minuten op de klok. Mijn buurman helpt me en zegt dat werken afleidt. Heb ik al gezien dat er schimmel op de thee drijft? Vanmiddag komt zijn moeder, met lekker eten. In de koffiepauze begint iemand over opleiding. Gegniffel. Nergens leer je het vak zo goed als hier. Reclassering, resocialisatie? Dure woorden. Er komen sterke verhalen los over andere inrichtingen, maar waarvoor ze vastzitten hoor ik niet, al spreken trillende handen en een bezweet gezicht boekdelen. Ze praten veel over gezin, scheiding, kinderen die ze niet meer zien. In afwachting van het vonnis verkeren ze in onzekerheid. Zal de straf hoog zijn? Zelf zijn ze optimistisch, er waren verzachtende omstandigheden, maar er is er altijd wel een bij die iemand kent aan wie een vier keer zo hoge straf werd opgelegd en voor iedereen is dit de laatste keer. De verliezers van de maatschappij.

Om half twaalf terug in de cel. Vreemd om alleen te eten in een afgesloten ruimte. Ik vraag me af of over honderd jaar de vrijheidsstraf even barbaars wordt gevonden als nu de guillotine. Af en toe hoor ik een vogel, ik klim opnieuw op de stoel en realiseer me dan pas, hoe vaak ik op een dag even naar buiten loop. Vandaag heb ik een andere vrijheid: ik hoef niets te willen, anderen beslissen. Ik kan gaan liggen lezen tot ze me ophalen, maar het stalen bed met gaten en daarop een bezoedeld schuimrubber vel trekt me niet aan. De kille kleurloosheid versterkt het duister van de cel.

De grootvader van een van de gedetineerden heeft de Koepel helpen bouwen, voordat hij, evenals zijn zoon en kleinzoon, hier werd ingesloten. Vanonder de hoge kap klinken geluiden, zoals in de hal van het Amsterdams Centraal Station. Ik realiseer me nu dat ik vanochtend heb zitten wachten op de ping, gevolgd door de metalen stem die een vertraging aankondigt. Het gebouw imponeert, de cellenblokken maken slechts een klein deel van het geheel uit. Sleutelgerinkel ontbreekt. Bewaarders lopen, soms tot hun spijt, niet meer rond met rammelende sleutelbossen en gummiknuppels als macho-symbool. Zoveel sleutels hebben ze ook niet nodig; alleen de celdeuren en de deuren die toegang verlenen tot het eigenlijke koepelgebouw worden met sleutels geopend, de deuren in de bijgebouwen, gecontroleerd door een video-oog, worden zacht zoemend ontsloten.

Op de luchtplaats hobbelt een junk autistische rondjes om het grasveld. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden: een trotse, lange gestalte, en dan zo verdwaald in zichzelf. Iemand vraagt om drugs, hij ziet bleek en klaagt over de kou, ondanks de dikke jas.

Om vijf uur wordt er brood en melk rondgebracht. Ik lees wat, maak notities, denk aan de parallellen tussen de ervaringen van vandaag en de roman waaraan ik werk. Juist als ik de stoel weer naar het raam schuif, wordt er een sleutel in het slot gestoken. Recreatie. Op een plank tegen de muur staat een televisie aan, niemand kijkt. Drie gedetineerden bieden tegen elkaar op wie de meeste gevangenissen van binnen heeft gezien, zoals ziekenhuispatienten hun littekens als heldenfeiten etaleren. De gedachte aan een dag in het ziekenhuis dringt zich vandaag wel vaker op. Een andere gedachte: krijgt iemand na veertig jaar zitten een lintje? De gekooide cirkelgang van de junk is nu beperkt tot rondjes van vijftig centimeter. Terug in cel 027 wacht ik tot de stalen deur openzwaait.

Eva Bentis debuteerde met de verhalenbundel Moeders en dochters.