Albanie, armoedzaaier in Europa, is bijna door zijngrondstoffen heen

ROTTERDAM, 27 juli Albanie, het armste land van Europa, raakt gaandeweg door zijn grondstoffen heen. De verouderde ja-knikkers waarmee het land is bezaaid halen steeds minder olie omhoog. Volgens Westerse gegevens staan de olieputten binnen tien jaar droog als geen nieuwe olie wordt gevonden. Voor de Albanese gasreserves geldt hetzelfde.

Albanie kent het twijfelachtige geluk dat het particuliere benzineverbruik gering is: de ongeveer tienduizend personenauto's zijn staatsbezit en mogen door de burgers niet worden gebruikt. De gewone burger loopt of fietst. Het communistische partijblad Zeri i Popullit (Stem van het Volk) meldde eind vorig jaar trots dat nieuwe gasvondsen zijn gevonden bij Durres, Panaje en Delvine. Albanie probeert zich tegen de uitputting van zijn energiebronnen met verve te wapenen. Waterkrachtcentrales, de 'witte steenkool', leveren al tachtig procent van het elektriciteitsverbruik. De andere centrales draaien op plaatselijk gewonnen bruinkool.

Toch wordt het voor Albanie steeds lastiger om zijn al verouderde industrie aan de gang te houden. De elektriciteitsproduktie door de watercentrales is gevoelig voor droogte. Na drie regenloze maanden gaf de regering begin vorig jaar fabrieken opdracht tien tot vijftien procent minder elektriciteit te verbruiken of de poorten tijdelijk te sluiten. Albanie moest elektriciteit importeren, hoewel het normaal kleine hoeveelheden exporteert (naar Griekenland en Joegoslavie). Albanie gebruikt zijn olie en gas voor de chemische industrie die kunstmest, katoen en nylon maakt. De raffinaderijen in Ballsch, Cerrik en Qyteti kunnen 2,5 miljoen ton olie verwerken, ongeveer de huidige produktie. Voor export, hoofdzakelijk naar de buurlanden Griekenland en Italie, blijft weinig ruwe olie over.

De industrie is sterk verouderd: met de belangrijkste leveranciers van machines, eerst de Sovjet-Unie en later China, is al voor de jaren tachtig gebroken. Veel fabrieken produceren hoofdzakelijk reserveonderdelen voor het verouderde machinepark.

Traditioneel was Albanie de grootste wereldproducent van chroomerts, na Zuid-Afrika en de Sovjet-Unie. Maar in het afgelopen jaar tuimelde het kleine Balkanland van de derde naar de zevende plaats, zo blijkt uit cijfers van de Economist Intelligence Unit en de Annual Mining Review. De kwaliteit van het erts neemt af en de reserves raken voor het eind van de eeuwwisseling op. De problemen met de winning van chroom en olie zijn door de regering openlijk toegegeven.

Met de invoering van een werkloosheiduitkering gaf de regering onlangs voor het eerst ook toe dat werkloosheid bestaat. De Wall Street Journal schat de werkloosheid op 20 procent. Op een beroepsbevolking van 1,5 miljoen slenteren 300.000 werklozen doelloos rond. De infrastructuur van Albanie stelt maar weinig voor. Binnenlands luchtverkeer is onmogelijk omdat er maar een klein vliegveld is, bij de hoofdstad Tirana. Binnenvaart speelt geen rol omdat de rivieren onbevaarbaar zijn. Wegen zijn gebrekkig met slechts drie grensovergangen naar Joegoslavie en een naar Griekenland.

Het land heeft een belangrijke zeehaven: Durris in de buurt van de hoofdstad Tirana. Het zuidelijkere Vlore is de marinehaven van Albanie en speelt verder een rol bij de export van olie en gas. Er loopt een pijplijn naar het oliecentrum Qyteti Stalin (Stalinstad). Tot 1948 kende het balkanland geen spoorwegen. Nu loopt er een enkelsporige, niet geelectrificeerde spoorlijn evenwijdig aan de kust vanuit Vlore in het zuiden via Durris naar de noordelijke grens met Joegoslavie. Daar onstond op 6 augustus 1986 de eerste spoorverbinding met het buitenland, een lijn die twee jaar later in verband met een te laag rendement door Joegoslavie alweer werd gesloten. Verder zijn er enkele zijlijnen naar het binnenland.

De Westduitse Bundesbahn sloot in 1986 een contract voor de levering van tweedehands Duitse locomotieven en ongeveer duizend oude goederenwagons. Bijna de helft van het staatstransport gaat per spoor.

De slechte infrastructuur hindert het toch al schaarse toerisme dat nauwelijks een bron van inkomsten is. Het partijblad Zeri i Popullit publiceerde onlangs voor het eerst getallen: afgelopen jaar bezochten 14.435 toeristen het in zichzelf gekeerde Balkanland. Ruim een kwart kwam uit Griekenland (er woont een grote Griekse minderheid in Albanie), een veel kleiner deel uit de buurlanden Joegoslavie en Italie. De regering staat uitsluitend groepsreizen toe.

De Verenigde Naties schatten het bruto nationaal produkt van Albanie voor dit jaar op 3,53 miljard dollar (6,5 miljard gulden), omgerekend 2.000 gulden per jaar voor elk van de 3,2 miljoen Albanezen. Andere schattingen, waaronder die van de Economist Intelligence Unit, komen op een vergelijkbaar cijfer uit.

Ter vergelijking: Ierland heeft met ongeveer evenveel inwoners een bijna tien keer zo hoog bruto nationaal produkt. In Roemenie, het op een na armste land in Europa, bedraagt de jaarproduktie per inwoner nog altijd 10.000 gulden en in het buurland Joegoslavie 12.000 gulden. Zonder olie en gas zou Albanie er nog slechter voor staan. De olieproduktie, die in een paar jaar is geslonken van 3 tot 2,3 miljoen ton, levert bij de huidige prijzen ongeveer 600 miljoen gulden op. Het aardgas circa 200 miljoen gulden. Zonder die grondstoffen zou het bruto nationaal produkt dalen tot 5,7 miljard gulden, 1.770 gulden per inwoner.

Het staatsbudget bedraagt bijna 10 miljard lek, tegen de officiele koers ongeveer 3 miljard gulden. Ongeveer een tiende daarvan, 300 miljoen gulden, gaat naar defensie waar volgens het International Institute for Strategic Studies in totaal 42.000 mensen werken. Een lichtpuntje is dat Albanie schuldenvrij is; de grondwet verbiedt buitenlands krediet op te nemen. Des te opmerkelijker is het dat Albanie vorig jaar volgens cijfers van de Bank voor Internationale Betalingen incidenteel tekorten had bij de particuliere banken, iets dat maar een keer eerder (in 1986) was voorgekomen en mogelijk verband houdt met de droogte.

Albanie doet zoveel mogelijk op eigen kracht en voert uitsluitend ruilhandel. Deze bedraagt met IMF-landen naar schatting een half miljard dollar (import plus export). Het grootst is de handel met de buurlanden en West-Duitsland. Nederland exporteerde vorig jaar voor slechts 9,3 miljoen gulden naar Albanie en voerde voor 11,9 miljoen in. Philips sloot dit jaar een contract voor 3.000 kleurentelevisies en elektronische componenten in ruil voor cement dat het concern weer doorverkoopt.

Volgens Westerse specialisten zou Albanie een geldinjectie nodig hebben met een omvang gelijk aan een jaar nationale produktie, zo'n 3,5 miljard dollar. Om dat bedrag te lenen tegen tien procent en in tien jaar af te lossen zou de schuldfinanciering jaarlijks 700 miljoen dollar bedragen (helft aflossing en helft rente). Volgens een internationaal gangbare vuistregel kan een land tot maximaal veertig procent van de exportopbrengst voor schuldfinanciering gebruiken zodat de Albanese export 1,75 miljard dollar zou moeten bedragen, zeven maal het huidige niveau.

De Albanese leencapaciteit is dus ten ene male onvoldoende om de vastgeroeste economie weer draaiende te krijgen. Alleen hulp op zeer gunstige vorwaarden zou het land weer aansluiting kunnen doen vinden bij de wereldeconomie.

Dit is het tweede en laatste deel in een korte serie over de economie van Albanie. Het eerste deel verscheen op 17 juli.