'Westbindung' ten bate van 'Ostpolitik'

Een spook waart door Europa, het heet 'bilateralisme'. Wie zich een jaar lang zand in de ogen heeft laten strooien door het geschenk dat president Bush vorig jaar zomer bij de feestelijke herdenking van de Franse revolutie in Parijs de Europese Gemeenschap aanbood, heeft zich vorige week in Zjelesnovodsk en vervolgens weer in Parijs de ogen moeten uitwrijven. Niet de communautaire Commissie bepaalt de betrekkingen met Oost-Europa, zoals haar ruim een jaar geleden werd opgedragen, zelfs niet de Raad van Ministers, maar het nieuwe Duitsland met rugdekking van de Verenigde Staten. De Sovjet-Unie en Polen regelden namelijk via de regering in Bonn hun zaken met dat nieuwe Duitsland en Bonn bepaalde de prijs die het wenste te betalen.

Terzijde: de Hongaren hebben enthousiast gereageerd op het Europese aanbod associatie aan te gaan. Zij willen vervolgens snel evolueren naar het volledige lidmaatschap. Hongarije stelde vorig jaar zomer Oostduitsers massaal in de gelegenheid via hun land als het ware om de Muur heen te trekken. Het startschot voor de Duitse eenheid klonk in Boedapest. De Hongaren hebben een machtige vriend verworven binnen de Gemeenschap.

De Gemeenschap stuit op haar eigen grenzen, grenzen waarmee zij tot voor een jaar nog vrede had. Laten we aannemen dat de communautaire idee ontstond als een reactie op het falen van het in Versailles geconstrueerde Europese evenwicht van de multipolariteit. Dat evenwicht was er naar, zoals in de tweede helft van de jaren dertig was gebleken. Na 1945 koos men dan ook voor controle door middel van vervlechting, althans ten aanzien van het verslagen Duitsland. Verstrengeling van de basisindustrieen op het grondgebied van de voormalige belligerenten (Frankrijk en Duitsland) moest voorkomen dat Duitse (her)industrialisatie nogmaals hegemonie en oorlogszuchtigheid zou veroorzaken.

Argwaan

Tegenover de Sovjet-Unie overheerste al spoedig de argwaan, als gevolg waarvan het streven naar het weer levenskrachtig maken van de Westerse zones in Duitsland de overhand kreeg op het in Potsdam uitgesproken geallieerde voornemen de Duitsers zo klein mogelijk te houden. Maar versterking van Duitsland vereiste automatisch dat de vervlechting zou worden geaccentueeerd.

De West-Europese Unie werd omgebouwd van een bondgenootschap tegen Duitsland tot een alliantie met Duitsland. De NAVO betrok de Transatlantische partners in het vervlechtingsspel, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en later de Gemeenschappen voor economie en kernenergie completeerden de verstrengeling. Onder die omstandigheden aanvaardde Frankrijk de keuze van Saarland voor de nieuwe Bondsrepubliek.

Agrarisch-industriele integratie nam de plaats in van het territorium- en evenwichtsdenken dat zolang de Europese betrekkingen had beheerst en dat bloedige oorlogen niet had kunnen voorkomen. Het Frans-Duitse vriendschapsverdrag dat Adenauer en de Gaulle in 1963 sloten overgoot het geheel met een politiek-ideele saus die echter in de Bondsdag en zeer tot Frans verdriet onmiddellijk werd aangelengd met een onderstreping van de betekenis van het Atlantische bondgenootschap voor de Duitse veiligheid. (Een schaduw vooruit van wat we nu meemaken). Ex-kanselier Helmut Schmidt beschouwde deze aanvulling achteraf als een ergerlijke misslag van de Duitse politiek.

De politiek heeft nooit goed raad geweten met het Europese bouwsel. Hoe nu precies de verhouding tussen de deelnemende staten moest worden geregeld en hoe hun samenwerkingsverband zich politiek en economisch zou dienen te verhouden tot de buitenwereld, de Verenigde Staten in het bijzonder, is tot op heden een open vraag gebleven. Het lag daarom voor de hand dat het bedrijfsleven na een jarenlange stagnatie de draad weer opnam. De technologische ontwikkeling had inmiddels het veiligheidsvraagstuk vervangen als argument voor Westeuropese integratie, sterker: de integratie voltrok zich binnen het bedrijfsleven en sleurde de regelgeving en daarmee de politiek achter zich aan.

Aanloop'1992' werd het nieuwe baken waarop men zich richtte: dan zou immers de voor het bedrijfsleven noodzakelijke gemeenschappelijke markt uiteindelijk ook juridisch haar beslag krijgen. 'De' politiek zag haar kans schoon. Met de (hernieuwde) aanloop naar de gemeenschappelijke markt zou het klimaat ontstaan waarin de lang verbeide monetaire unie, de Europese munt, de gemeenschappelijke centrale bank, ja zelfs de politieke unie en een Europese 'defensie-identiteit' hun beslag zouden kunnen krijgen. Britse verknochtheid aan de eigen soevereiniteit, of althans aan de resterende symbolen daarvan, maakte weliswaar consensus onmogelijk, maar de tijd zou in het voordeel van de integrationisten werken.

Thans dringt de vraag zich op of de tijd mogelijk van positie is veranderd. De Europese Gemeenschap wordt door de bevrijding van Oost-Europa en door de Duitse vereniging herinnerd aan het moment van haar conceptie. Niet omdat we zouden terugkeren naar het territorium- en evenwichtsdenken zoals het zich voordeed in het interbellum. Maar juist omdat het axioma van de vervlechting, van de economische verstrengeling als garantie van veiligheid over en weer, nog niets van zijn betekenis heeft verloren.

Alleen, het gebied waar het axioma geldt heeft zich sinds de gebeurtenissen van het vorig jaar enkele honderden kilometers oostwaarts verplaatst. Zoals de Fransen (en de Britten, maar die als toezichthouder) Duitsland wilden controleren door middel van industriele integratie, zo voelt het nieuwe Duitsland zich aangemoedigd om tot economische vervlechting met Oost-Europa te komen. Oost-Europa zal zijn: bufferzone, niemandsland of verbindingsader.

Leidende Duitse politici herhalen intussen in koor het belang van de 'Westbindung', van de verankering in het Westen als fundament van hun 'Ostpolitik'. De feiten van de afgelopen maanden leren dat Bonn daarbij vooral let op de betrekkingen met de Verenigde Staten en nauwelijks op de verhouding tot Parijs en Londen.

De Europese Gemeenschap zal haar legitimatie meer en meer vinden in Duitse politiek, in de Duitse behoefte in het Westen een tegenwicht te hebben tegenover de gewenste vervlechting met Oost-Europa. Dat Bonn, of straks misschien Berlijn, de zwaarte van dat tegenwicht zelf zal willen bepalen ligt voor de hand. Het initiatief bij de Europese samenwerking is inmiddels van Franse in Duitse handen overgegaan. Dat zal zich nog doen voelen.