'Liever bedankje dan een KNIL-monument'

ARNHEM, 26 juli Terwijl op het terrein van het tehuis voor oud-militairen in het Arnhemse Bronbeek vandaag een standbeeld is onthuld ter herdenking van het feit dat veertig jaar geleden het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger (KNIL) werd opgeheven, demonstreerden 300 Molukse oud-KNIL-militairen op het Binnenhof voor betere pensioenen en achterstallige gratificaties. In een brief aan alle ex-KNIL-leden roept voorzitter D. de Iong van de Stichting Herdenking KNIL op geld te storten ter bekostiging van het monument, dat 250.000 gulden kost. De onthulling moet, aldus De Iong, tegelijk een manifestatie zijn van de 'verknochtheid aan het KNIL'. Zo denkt lang niet iedereen er over. De voormalige Molukse KNIL-beroepsmilitairen mogen dan ontevreden zijn over hun 'afhandeling', de Europese ex-KNIL-dienstplichtigen kwamen er nog heel wat bekaaider vanaf. Zij moeten dan ook niets hebben van dit 'eerbetoon'. Ze vinden dat die kwart miljoen voor een monument wel beter kan worden besteed. In totaal kende het KNIL eind 1941 meer dan 21.000 Euroepese dienstplichtigen. Enkele honderden sneuvelden in de strijd tegen Japan, naar schatting 5.000 kwamen om in krijgsgevangenschap, nog eens 5.000 bleken te verzwakt om opnieuw in actieve dienst te gaan, maar de rest, zo'n 10.000 KNIL-militairen, moesten de wapens weer opnemen tegen de Indonesische nationalisten. Eind 1949 kende het KNIL nog een kleine 4.000 Europese dienstplichtigen. Hoe veel van hen toen nog behoorden tot de groep die in 1941 al onder de wapens werd geroepen is niet meer na te gaan.

In vergelijking met de beroepsmilitairen van het KNIL, maar ook met de dienstplichtigen van de Koninklijke Landmacht (KL), werden de KNIL-dienstplichtigen materieel achtergesteld als hun iets overkwam tijdens hun diensttijd en bij hun demobilisatie. Die discriminatie is gebaseerd op de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) voor het KNIL, die van kracht werd op 21 februari 1942, twee weken voor de capitulatie van Nederlands-Indie.

Ingelijfd

In praktijk kwam het er op neer dat beroepsmilitairen van het KNIL en dienstplichtige KL-militairen recht hadden op pensioen (met dubbeltellende tropenjaren), of deze jaren bij eventuele latere indiensttredeing als ambtenaar konden meenemen. Hun weduwen kwamen in aanmerking voor een pensioen. Door de oorlog lichamelijk of geestelijk gekwetste KNIL-dienstplichtigen hadden geen recht op een militair invaliditeitspensioen. De 'nagelaten betrekkingen' van KNIL-militairen kregen hooguit een AOR-uitkering, maar velen wisten niet van het bestaan van die regeling. Overheidsinstanties in Indie en Nederland hebben betrokkenen zelden of nooit op de AOR gewezen. Dat had tot gevolg dat invalide KNIL-militairen en weduwen van omgekomen of gesneuvelde lotgenoten het in de jaren vijftig en zestig moesten zien te redden met een veel lagere bijstandsuitkering. G. de Nijs uit Voorschoten was 18 jaar toen hij in 1941 als dienstplichtige werd ingelijfd bij het KNIL. In maart werd hij door de Japanners krijgsgevangen gemaakt. Hij had een zware tijd aan de Birma-spoorweg, maar omdat hij er lichamelijk niet al te beroerd aan toe was kon hij onmiddellijk weer met het KNIL gaan optreden tegen de Indonesiers. Die strijd duurde tot eind 1949. De Nijs kon in 1948 bij uitzondering demobiliseren, maar duizenden anderen die in 1941 waren gemobiliseerd, kregen pas eind 1949, sommigen begin 1950, de gelegenheid hun burgerkleren aan te trekken.

De Nijs: 'Veel Indische jongens van 18 jaar zoals ik zaten nog op de middelbare school toen wij bij de nadering van de Japanse militaire macht werden gemobiliseerd. Ze waren 26, 27 jaar toen ze uit het leger kwamen en moesten toen met een afgebroken schoolopleiding en in een vreemd land (Nederland) maar zien hoe ze een nieuw leven opbouwden. We voelden ons afgedankt. We kregen nauwelijks gelegenheid te herstellen van negen jaar oorlogservaringen. Ons werd verteld dat we onze familie, die werd bedreigd door de 'extremisten', moesten bevrijden. Het was chantage. Die anti-Indonesische propaganda heeft bij veel mensen, die onder de Jap al zo veel afschuwelijks hadden meegemaakt, tijdens de na-oorlogs strijd vaak geresulteerd in onverantwoordelijk optreden. Van een behoorlijke medische keuring, laat staan een psychisch onderzoek, was in 1945 geen sprake.

Ten einde raad

In 1973, toen de Wet Uitkering Vervolging Oorlogsvervolgden (WUV) van kracht werd, werd het financieel iets beter voor ex-KNIL-militairen en/of hun nabestaanden, maar omdat vooral de jongeren ten tijde van hun mobilisatie nog op school zaten was de grondslag waarop die WUV-uitkering werd gebaseerd veelal minimaal. Met gemiste kansen werd geen rekening gehouden. De (Indo-)Europese ex-militairen die in Indonesie zijn achtergebleven zijn vaak ten einde raad, hoewel ook voor hen, na een drastische reorganisatie, de kans om WUV aan te vragen wat groter lijkt te worden. Ze blijven echter in het nadeel, omdat in Indonesie veel minder kennis aanwezig is dan in Nederland om het verband aan te tonen tussen de medische vaak psychische klachten en oorlogservaringen.

De Nijs krijgt regelmatig brieven van ex-collega's die indertijd tegen beter weten in hebben gekozen in Indonesie te blijven. 'In die brieven vragen ze vaak nog niet eens om een uitkering of geld, maar gewoon om een bedankbriefje voor bewezen diensten van de Nederlandse regering. Gelukkig weten ze niet dat ze dezer dagen worden 'geeerd' met een monument'.