Lellebellen en EO-oenen

De jaren vijftig hadden altijd al een belangrijke rol gespeeld in de films van John Waters. Zijn met minimale budgetjes geproduceerde mijlpalen van gecultiveerde smakeloosheid, meestal opgebouwd rondom de travestie-vedette Divine, waren weliswaar gesitueerd in een soort van heden, maar daarin was meestal al sprake van modieuze jaren-vijftig-invloeden. De laatste in die reeks, Hairspray, glorifieerde het begin van de jaren zestig, toen het voorgaande decennium nog zichtbare sporen trok door het straatbeeld. Nu is Divine dood en presenteert Waters zijn definitieve versie van de jaren vijftig een echte boy meets girl-film die door de distributeur uit de cult-sfeer is getrokken en bedoeld is voor een breed publiek. De hoofdrol wordt zelfs gespeeld door een heus Amerikaans tiener-idool.

Maar ook in Cry baby legt John Waters zich niet neer bij de gemiddelde smaak van de gemiddelde bioscoopganger. Op het eerste gezicht is aan het verhaaltje weinig bijzonders te merken: jongen uit nozemmilieu wordt verliefd op meisje van nette komaf en de uiteindelijke omarming komt pas na heel wat moeilijkheden. De jongen is een populaire zanger van het ruige rock-werk, het meisje zingt in kleine kring het liefst tienerliedjes uit de Conny Francis-sector. Ouders en autoriteiten reageren aanvankelijk vol walging op de rock en roll, die toen nog colored music heette, maar swingen in de slotscene natuurlijk vrolijk mee. Zo ging het altijd in die films, waarin tenslotte bleek dat de jeugd van tegenwoordig best wel meeviel. Happy end.

De schrijver-regisseur was echter niet van plan zomaar een nostalgisch filmpje te maken. De nozembende is in zijn satanische persiflage een grotesk zootje outcasts geworden, onder leiding van een punk-achtige oma en opa die in kledij en gedrag niets dan agressie propageren. Ze doen zo te zien geen vlieg kwaad, maar boezemen de brave burger niets dan angst in. Aan de andere kant staat een verzameling EO-ouders, wier kroost de volstrekte onschuld van de Fouryo's uitstraalt. De botsing tussen die twee werelden (vetkuiven versus paardestaarten en petticoats) levert een reeks scenes op, waarin de scenario's doorklinken van alle films van Elvis Presley, Frankie Avalon en Cliff Richard.

Geen cliche of het wordt door Waters extra vet aangezet. Zijn held is niet zomaar een ruwe bolster met een blanke pit, maar bovendien een weeskind dat nog dagelijks een traan plengt om zijn op de elektrische stoel gedode vader. Zijn nozemmeiden zijn lellebellen, die niet alleen puntige bh's dragen, maar die ook ferm en hoerig naar voren steken. Een tongzoen is niet zomaar een kus, maar groeit uit tot groepsgewijs gelebber. En zijn rechtse jongeren zijn volstrekte oenen die tijdens een parade door de stad (Baltimore, 1954) onzinnige dixieland-danspasjes maken. Alle karakters zijn karikaturen geworden.

De centrale figuur in Cry baby is Johnny Depp, wiens roem nu waarschijnlijk ook tot buiten Amerika zal doordringen. Hij speelt zijn rol als een piepjonge Elvis, met voortdurend mean and moody opgetrokken neusvleugels en mondhoeken. Het is een kleine desillusie, dat hij niet zijn eigen songs heeft ingezongen volgens de titelrol is het de onbekende James Intveld, die dat werk verrichtte: met de hoge hik, de grauw, het falsetto en al die andere vocale opwinding waarin het rock-genre uitblonk. Maar de jeugdige acteur zet zijn benen suggestief uit elkaar, grijpt zichzelf op passende momenten in het kruis en de lange lok valt overtuigend over zijn voorhoofd. Zijn tegenspeelster, Amy Locaine, is door de regisseur niet ten onrechte met een jeugdige Tuesday Weld vergeleken: diezelfde smachtende hunkering op haar meisjeshoofd, dezelfde bakvis-achtige spring-in-het-veld-buien.

In de kleinere rollen heeft Waters zich weer, als vanouds, uitgeleefd in het engageren van onverwachte gezichten. Ze zijn vooral te vinden bij de ouders: de verkreukelde punk-legende Iggy Pop, de vroegere Warhol-ster Joe Dallesandro, ex-tv-acteur David Nelson (de vader van tienerzanger Rickie), de notoire Patricia Hearst en de derderangs Troy Donahue, die zelf in zijn puberjaren de Johnny Depp van de jaren vijftig was. Tot de hitsige bendemeisjes behoort bovendien het vroegere porno-sterretje Traci Lords, dat furore maakte toen bleek dat ze op het hoogtepunt van haar erotische activiteiten zestien in plaats van boven de achttien was geweest. Ze zijn geen van allen waarlijke karakteracteurs, maar onder deze regisseur excelleren ze in de ietwat geexalteerde intonatie waar ook Wim T. Schippers zo van houdt.

Er is, kortom, heel wat bezienswaardigs aan de hand met Cry baby. En toch heb ik het gevoel dat de film een beetje tekortschiet. Misschien is Waters iets minder uitzinnig dan voorheen, misschien is de toeschouwer meer gewend aan zijn opzettelijke meligheid. Maar belangrijker is wellicht nog het feit, dat de jaren vijftig al vele malen eerder werden geparafraseerd en geparodieerd. Een van de eerste was Coppola met American graffiti, sindsdien zijn alle maniertjes, alle hits, alle modeverschijnselen en alle heimelijke sex uit dat decennium uit en te na geexploiteerd door regisseurs, die zelf in die tijd opgroeiden. Wat dat betreft vertelt John Waters weinig verrassends meer. Hij doet het iets extremer dan zijn voorgangers, maar de materie is dezelfde. Zo'n lied als Sh-boom staat allang vast op het repertoire van duizenden zanggroepjes die teruggrijpen op de glorie van vroeger.