Het bloemenmeisje ging tippelen

Pretty Woman heet de nieuwe film van lichte komedie-specialist Garry Marshall. Het is een titel vol bedrog. Hij roept associaties op met de smartelijk-zoete song van die naam van Roy Orbison, maar heeft er niets mee te maken, in sfeer noch inhoud, en meer dan de openings-accoorden en de eerste paar regels krijgen we niet te horen. Bovendien verhult hij de ware aard van Marshalls film, want die is een moderne versie van George Bernard Shaws toneelstuk Pygmalion en, veel meer nog, een klakkeloze remake van George Cukors verfilming van Lerner en Loewes musical My Fair Lady (1964). De liedjes ontbreken, (dus geen hedendaagse opvattingen van het legendarische 'Just You Wait Henry Higgins' of van 'The Rain in Spain') maar verder is alles aanwezig. Een rijke man plukt een kansarm meisje van de straat en leidt haar, tegen adviezen van zijn beste vriend in, op tot een dame. Hij slaagt daar zo goed in dat ze tenslotte geschikt is om zijn wettige echtgenote te worden.

Direct opmerkelijk is hoe ondubbelzinnig, om niet te zeggen schaamteloos, de makers van Pretty Woman refereren aan Audrey Hepburn in My Fair Lady. Een verhulde verwijzing, bijna een saluut, als het eventjes optreden van de middelbare bloemenverkoopster met een cockney-accent is origineel. Maar hoofdrolspeelster Julia Roberts constant uitdossen in aan Hepburns Givenchy-outfits herinnerende jurken, hoeden en handschoenen is behalve een belediging voor die actrice, in strijd met de filmgeschiedenis, want niet De Givenchy maar Cecil Beaton ontwierp de kostuums voor My Fair Lady. Roberts kreeg ook Hepburn-achtige make-up opgeschminkt en werd aangezet tot het imiteren van Hepburns meisjesachtige gestoethaspel met armen en benen.

Het verhaal van My Fair Lady wordt in Pretty Woman, op de lastige vader van het meisje na, nauwgezet gevolgd, tot en met de befaamde scenes bij de paardenraces toe. Maar scenarist J. F. Lawton volgde een ijzingwekkende methode om het te verplaatsen van laat negentiende-eeuws Londen naar de jaren negentig in Los Angeles. Lawton bedacht voor elk element dat hij wilde aanpassen consequent een vulgaire pendant. Zijn hoofdpersoon vervormde hij van een excentrieke Engelse edelman die zich interesseert voor taalwetenschappelijke experimenten tot een in onvriendelijke overnames gespecialiseerde zakenman annex harteloze Casanova met de bijnaam 'de wolf van Wall Street'. Diens vriend en vertrouweling werd in zijn handen een op rijkdom en macht beluste advocaat die er geen been in ziet een hoer te verkrachten. Het bloemenmeisje Eliza Doolittle in Covent Garden evolueerde tot Vivian, een tippelaarster op Hollywood Boulevard. De zakenman streeft er niet naar haar op te leiden, hij wil alleen maar verborgen houden voor zijn vrienden en relaties dat zijn charmante gezelschap een prostituee is.

Had Lawton een bedoeling met deze veranderingen, dan zou Pretty Woman een interessante sociale komedie geweest kunnen zijn. Maar de wijzigingen dienen duidelijk geen ander doel dan effectbejag. De romantische ontwikkeling van het verhaal werd integraal overgenomen en wringt met de identiteiten van de personages. In deze constellatie zijn hun plotseling luid tikkende gouden harten en en hoogstaande emoties volslagen ongeloofwaardig. Hoezeer Richard Gere en Julia Roberts ook hun best doen, hoe romantisch, hoe grappig, hoe koddig, hoe beminnelijk ze hun personages ook maken, niemand die op zo'n harde wijze zijn brood verdient (als hoer of als kwalijke zaken-haai op machtig niveau) houdt de onbevangen spontaniteit die ons over dit tweetal wordt voorgespiegeld. Na My Fair Lady was het gemakkelijk te geloven in een lange en gelukkige verbintenis tussen Henry en Eliza. Wie in Pretty Woman het stel weg ziet glijden in de witte limousine vreest het ergste voor hun op handen zijnde huwelijk, want behalve een kalverliefde is zijn geld het enige dat ze bindt.