Het aardse paradijs van F. Scott Fitzgerald

Princeton University was voor de Amerikaanse schrijver F. Scott Fitzgerald (1896 - 1940) een jongensdroom die hij zijn leven lang bleef koesteren. Een bezoek aan het door de auteur bejubelde 'paradijs' leert, dat op Princeton nog veel van de oude luister bewaard gebleven is. 'Natuur, theater, films, twintig tennisvelden, just paradise, en niemand verwacht dat je voor tien uur je bed uit komt... het is werkelijk een godsgeschenk als je hier mag studeren', zegt mijn gastheer, de jonge schrijver Jonathan Ames als we in de middagzon over de campus van de universiteit van Princeton lopen. Je zou hier bijna vergeten dat je dicht bij het hectische New York zit. De landhuizen met hun rieten daken, de vele welvingen en bogen in de achttiende- en negentiende-eeuwse universiteitsgebouwen, de hoge brede schoorstenen die binnen een open haard verraden, de klimop die langs de muren omhoogkruipt, het oude klooster: het had allemaal evengoed Oxford of Cambridge kunnen zijn. Maar we zijn in Amerika, we lopen zelfs langs Nassau Hall, een klein paleisje op de Dam, waar de universiteit in het midden van de achttiende eeuw begon als Presbyteriaanse school. De held uit de Vrijheidsoorlog en later de eerste president van Amerika George Washington in 1777 joeg er de Engelsen uit na zijn triomftocht over de rivier de Delaware.

Princeton heeft met afgeleverde presidenten als James Madison en Woodrow Wilson een behoorlijke staat van dienst. Verder kun je er, waar het briljante docenten en professoren aangaat, Einstein en Henri Russell in de annalen van de staf terugvinden. En ook Nabokov liep na zijn lezingen verstrooid rond in de straten en laantjes van Princeton. De speculatie is de moeite waard, dat Nabokov hier op de naam van zijn hoofdpersonage Humbert uit Lolita kwam, want je hebt hier een Humbertstreet!Maar gezien de grote voorkeur van mijn prive-gids Ames volg ik niet de voetsporen van een verdwaalde emigre, maar hebben we het over F. Scott Fitzgerald, de door en door Amerikaanse schrijver bij uitstek, de auteur van de The Great Gatsby, de chroniqueur van de roaring twenties.

Debuutroman

Fitzgerald kwam hier in 1913 als student aan, vertrok in 1917 zonder diploma, maar publiceerde drie jaar later wel zijn debuutroman This side of paradise, in 1920 in de Daily Princetonian geafficheerd als: 'Story about a Princeton Man'. Die slogan klonk wel erg braaf en studentikoos voor een boek, dat al snel werd beschouwd als The famous novel of flaming youth. En op mijn oude pocketje staat verder nog te lezen: The sparkling narrative of a young man's awakening to life in an era of fast cars, fast liquor, fast women.

Jonathan Ames, die met zijn binnenkort in Nederland te verschijnen debuut I pass like night (uitg. Prometheus) meer de decadent uitgebluste dan de ontvlammende Amerikaanse jeugd beschrijft, ging onder meer naar Princeton omdat Fitzgerald er ook had gezeten. Maar waarom ging Fitzgerald? Zijn bemiddelde familie had voor hetzelfde geld ook een andere voorname universiteit als Harvard of Yale kunnen betalen. De hoofdfiguur in This Side of Paradise, Amory Blaine, waarmee Fitzgerald zichzelf portretteerde, houdt er nogal romantische redenen op na om van die mogelijkheden af te zien: 'I think of all Harvard men as sissies, like I used to be, and Yale men as wearing big blue sweaters and smoking pipes', waarna even later het niet minder irrationele argument voor Princeton valt: 'I think of Princeton as being lazy and goodlooking and aristocratic you know like a springday.' Het werd dus Princeton, maar wel met de hakken over de sloot, want hij sjoemelde met het examen, zakte voor een schriftelijke test en werd uiteindelijk na een mondeling examen toegelaten. Dolgelukkig telegrafeerde hij nog dezelfde dag naar zijn moeder, dat ze meteen zijn sportspullen moest sturen. Want in zijn streven om 'one of the gods of his class' te worden, had hij zich voorgenomen te schitteren in het football-team van Princeton. Aan die droom kwam voor de toch al niet bijster atletische Fitzgerald al tijdens de tweede wedstrijd een einde. Een gekneusde knie schakelde hem voor de rest van het seizoen uit.

Na zijn falen in de sport stortte Fitzgerald zich, om maar vooral niet onopgemerkt te blijven, op het theater dat hem, naar hij later beweerde, vooral naar Princeton had gezogen. Nog voordat hij ook maar een baksteen van de universiteit had gezien was hem de partituur van een musical onder ogen gekomen, gecomponeerd door het universiteitstheater van Princeton. 'Toen ik dat ontdekte was ik verkocht voor Princeton', lezen we in het postuum verschenen Afternoon of an author.

Schrijftalent

Eindelijk kon hij zijn ambities kwijt. De door hem zelf geschreven show Fie, Fie, Fi-Fi voor de Triangle Club, leverde hem vanwege zijn optreden als showgirl niet alleen een foto in The New York Times op, maar gaf hem vanwege de gunstige recensies ook het trotse idee dat de buitenwereld wel eens zou kunnen zitten te wachten op zijn schrijftalent.

Veel deed hij daar toen overigens nog niet mee. Hij was weliswaar medewerker van het satirische studentenblad The Tiger, schreef slechte gedichten voor het plaatselijke literaire blad The Nasseau Lit, maar van het echte schrijven kwam nog bar weinig. Het vertier na de voorstelling hield hem daarvoor te veel bezig. Drinken, dansen, roken, snelle vrouwen, snelle auto's, daar kwam het wel op neer tijdens een tournee van de Triangle Club.

Onze 'romantic egotist' ontdekte het in die tijd wijdverspreide Amerikaanse fenomeen, 'the petting party': 'geen enkele Victoriaanse moeder de meeste moeders waren immers Victoriaans had ook maar een flauwe notie hoe makkelijk hun dochters zich lieten zoenen', schrijft Fitzgerald in zijn debuut, om verderop te vertellen dat hij er versteld van stond dat hij elke P. D. (Populair Daughter), die hij voor achten ontmoette, makkelijk voor twaalf uur kon verleiden. Op de parkeerplaats van een dancing was altijd wel een comfortabele limousine beschikbaar voor dit soort paradise by the dashboardlights.

Kwam er nog wel wat van het studeren terecht? Of las Fitzgerald nog wel eens een boek in die inspirerende en landelijke omgeving van de Princeton-universiteit? Weinig, weinig, hij was in ieder geval een stuk minderijverig dan zijn studiegenoten Edmund Wilson, de briljante Amerikaanse criticus, en John Bishop, die later vooral bekendheid verwierf als dichter. Maar volgens een anekdote van Bishop wist Fitzgerald de schijn goed op te houden. 'We zaten vaak te praten over boeken; boeken die ik gelezen had en dat waren er niet zoveel en boeken die Fitzgerald gelezen had en dat waren er nog veel minder. Maar boeken waarover hij sprak alsof hij ze gelezen had, dat waren er veel en veel meer.'

Vele jaren later, kort na een reunie, gaf Fitzgerald in een brief aan Edmund Wilson toe dat hij destijds geveinsd had: 'I am still the ignoramus that you and John Bishop wrote about at Princeton.' Onwetend? Hij zat op een universiteit, eentje voor de elite nog wel! Misschien moeten we het als een kinderlijke onwetendheid zien. Hij was naief, speels, joeg zijn puberhart na, dat snel ontvlamde bij elke belle P. D. die hem voor de voeten kwam.

Eetclubs

We lopen over Prospect Avenue met zijn riante villa's, waarin de studentenclubs hun onderkomen hebben. Het verenigingsleven van studenten hier is volstrekt onvergelijkbaar met dat in Nederland. Zelfs het chicste corps bij ons kan zich niet meten met het gezelligheidsleven van de clubs in Princeton. Uit pure nood geboren begon het eind vorige eeuw allemaal met eetclubs, maar zoals dat met samen eten gaat, het groeide al gauw uit tot een sociaal fenomeen en waar het de sociale contacten betrof speelde al vlug ook de maatschappelijke status mee. Zo is de Ivy-club tot op de dag van vandaag een kwestie van poen en snobisme waar de nazaten van de Rockefellers de scepter zwaaien. Sommige clubs bleven zelfs tot in de jaren zeventig ontoegankelijk voor de donkere Amerikaan, of het moesten personeelsleden zijn.

Brassen en slempen, dat kunnen ze net als bij de Nederlandse corpora hier ook wel, maar de statige villa's van de diverse clubs zijn op meer berekend. Als je de smakeloze jogging-outfit van de rondslenterende Amerikaanse studenten even vergeet, dan is er nog sprake van stijl. Dat merk je meteen al bij binnenkomst in de Cottage-club, waar Scott Fitzgerald lid van was. Geweven tapijten op de vloer, kroonluchters aan het plafond, fris ruikend gepolitoerd mahoniehout, aristocratisch aandoend meubilair, het is alsof je de residentie van een filmster uit de jaren twintig betreedt. Na het eten kunnen de vermoeide studenten uitpuffen onder de schemerlampen in de after-dinnerkamers, er is een biljartzaal waar de hoofdstedelijke societeit Arti nog net aan kan tippen. Een cocktailbar, een theaterzaaltje, een tuin met een terras en tennisbanen, aan niets ontbreekt het hier. Natuurlijk is er ook een bibliotheek, waar je in luie, leren clubfauteuils heerlijk in slaap kan vallen met je boek. Ik begin iets te begrijpen van de lazybeauty, zoals Fitzgerald de atmosfeer van Princeton omschreef. De biljartzaal is tevens de uitstalkamer voor sporttrofeeen, foto's van footballteams, oorkondes en andersoortige ingelijste loftuitingen op heldenmoed en wetenschappelijke topprestaties van de oud-studenten. Een zoekende blik over een lange lijst van 'Members of the university Cottage Club who served in the World War 1914-1918', en je vindt al snel de naam van Fitzgerald.

Drankgebruik

Het patriottisch vuur werd door de Eerste Wereldoorlog flink aangewakkerd in Princeton, ook bij Fitzgerald, die na gesjeesd te zijn als student en na een aantal bittere mislukkingen in de liefde, het leger ook als een nieuwe romantische verlokking moet hebben gezien. In 1917 meldde hij zich voor de infanterie, hij werd luitenant maar het Europese oorlogsgeweld bleef hem bespaard. Op zijn transportschip brak een griepepidemie uit en dat was net een week voor de wapenstilstand. 'Mijn ervaring in het leger beperkte zich hoofdzakelijk tot verliefd worden op een meisje in elke stad waar ik verzeild raakte', zei hij later in een interview, het bezoek aan hoeren en overmatig drankgebruik verzwijgend. Zijn legermaatjes vonden hem zelfs een keer geflankeerd door twee prostituees, laveloos met een fles in de hand op het perron van een station. Maar het was ook in het leger dat hij zijn Princeton-roman schreef. Drank en vrouwen, het zouden altijd de grote passies van Fitzgerald blijven, maar Princeton hoort daar zeker ook bij. 'Oh, you and Princeton! You'd think that was the world', is in This side of paradise het kribbige antwoord van een meisje dat aandacht te kort komt. Het bleef tot de laatste seconden van zijn leven de wereld. Op 21 december 1940, terwijl hij in het blad voor oud-studenten van Princeton een artikel over football zit te lezen, sterft Fitzgerald aan een hartaanval.