'En de wind steekt op'

Zet het blauw van de zeetegen het blauw van de hemelveeg er het wit van een zeil inen de wind steekt op.

Dit gedichtje van Willem Hussem omvat niet meer dan vijfentwintig woorden, met uitzondering van 'tegen' bestaande uit een lettergreep. Het is kort genoeg om te dienen als de titel van een boek. Als zodanig staat het op de omslag van een bundeltje opstellen en reprodukties dat in 1977 ter herdenking van de dichter en schilder Hussem bij Bert Bakker werd uitgegeven. Het boekje bevat tevens een aantal korte gedichten die Hussem in de laatste maanden van zijn leven schreef. Hij overleed in 1974. Het is niet de bedoeling op deze plaats Hussems werk te bespreken. We bepalen ons tot een vingeroefening: tot de vijfentwintig woorden die oorspronkelijk in negen regels waren gegroepeerd en die we tot vier regels hebben teruggebracht, om didactische redenen.

Het gedicht 'pakt' onmiddellijk. Wie het hardop leest ontdekt waardoor. Het is de laatste regel die de Schwung aan het geheel geeft: daarin schiet het gedicht los. De derde regel versterkt dit effect. Terwijl de eerste twee regels elk zes woorden omvatten, telt de derde er acht. Na de lichte vertraging die deze langere regel veroorzaakt, komt de vierde regel, met maar vijf woorden, als een bondige afsluiting. Het gedicht valt hoorbaar in het slot.

De klankopbouw doet de lezer vergeten dat het eindrijm ontbreekt. De eerste twee regels vormen een blokje, verbonden door tweemaal het woord blauw en tweemaal een lange e: in zee en hemel.

De twee regels hangen ook samen door wat de dichter als schilder doet: hij 'zet' blauw tegen blauw; zetten: een stevig woord dat vastheid van hand uitdrukt. Het resultaat is dat het doek bezet is door blokken blauw; de ruimte wordt er tegelijk door gevuld en verdeeld.

De derde en vierde regels zijn eveneens door een klinker verbonden. In plaats van de zware au en ee overheerst nu een lichte klank in wit en wind, woorden die door de beginletter extra lichtvoetig lijken.

Inhoudelijk vormen de laatste twee regels echter geen eenheid. In de derde regel gaat de schilder door met zijn werk. In het blauw brengt hij wit aan; niet door die kleur op het doek te zetten maar door haar er in te vegen. 'Vegen' drukt beweging uit, zoals 'zetten' op bouwen duidt. Het is een beweging die nonchalance verraadt, een reis door de blauwe ruimte, nog onbepaald, tot de uitkomst zichtbaar wordt: er staat een zeil.

De opdracht die de schilder zichzelf heeft gegeven is daarmee voltooid. Hij is klaar: 'het schip van de wind ligt gereed voor de reis' (Marsman). In de vierde regel gebeurt wat hij heeft gehoopt dat zou gebeuren maar misschien ook onverwacht komt: de wind steekt op. Uit de veeg wit is de vlaag van de wind voortgekomen, een klein wonder. Zoals de witte veeg in het onverzettelijke blauw reeds vrijheid suggereerde, zo doet het de wind in de overtreffende trap, waaiend waar hij wil.

De vierde regel staat dus geheel apart. In de eerste drie wordt er gewerkt; er zijn bedoelingen in het spel, er hebben handelingen plaats. Dan trekt de schilder zich terug en kijkt: dan gebeurt er iets.

De lezer wordt in die gebeurtenis betrokken. Hij kan het schilderij niet zien; hij moet het zich voorstellen en geloven dat de schilder het wonder ziet gebeuren. De dichter is geslaagd in zijn opzet als hij die sensatie weet over te brengen.

Zo is bijna heel het gedicht nou ja, twintig woordjes niet meer dan een inleiding. Het gaat uiteindelijk om de gebeurtenis in de laatste vijf woorden: en de wind steekt op.

Dit heet close reading, en daar hou ik eigenlijk niet van. Poezie spreekt zonder kruisverhoor en laat alles zien zonder gefouilleerd te zijn. Zoals bij muziek is de sensatie bij lyriek direct. Een gedicht is geen algebraische formule die erom vraagt in factoren ontbonden te worden.

Toch is het instructief een enkele keer na te gaan waardoor die directe sensatie wordt opgewekt, al was het maar omdat er al puzzelend een raadsel zichtbaar wordt: het gedicht geeft een constructie prijs terwijl het niet is geconstrueerd. Het gedicht is de dichter ontvallen en niettemin blijkt het een vernuftig raderwerkje te zijn.

Wat dit allemaal moet? Ach, het is weer eens wat anders dan al die loodzware politiek. Een niemandalletje dat ontstond tijdens wakker liggen in de vroege ochtend, tussen waken en dromen, als de associaties vrij spel hebben.

Wie het niet bevalt, kan zich laten troosten door de grote filosoof van de nuttigheid, Jeremy Bentham: pushpin is as good as poetry. De poezieliefhebber zal er niet door geschokt zijn, eerder verward: hij verstond Poesjkin.