De verbeelding gevoed door verf, cement, hout en metaal

Het Haags Gemeentemuseum gaf haar tentoonstelling van tien 'jongere' Nederlandse kunstenaars de wat zakelijk klinkende titel Gemengd Bedrijf mee. Allen genieten al een 'minimaal niveau van bekendheid', aldus de inleiding, waarin ook wordt gemeld dat het museum op deze wijze de contacten tussen het Haags Gemeentemuseum en jonge kunstenaars wil 'herstellen'. Bedoeling is regelmatig presentaties te maken over hedendaagse Nederlandse kunst. Het gaat niet om een representatieve keuze, zo wordt de bezoeker gewaarschuwd, maar om de persoonlijke voorkeur van twee conservatoren. Toch wilde men iets zeggen over selectiecriteria: de getoonde werken zouden zich kenmerken door een 'zeer eigen artistieke probleemstelling' en een 'zeer directe confrontatie met het materiaal'.

Welke vragen stellen deze jongere kunstenaars dan aan de orde? Er zijn er voor wie het vraagstuk van de verbeelding voor een belangrijk deel in het materiaalgebruik is besloten. Dat is het geval bij de met een brede kwast grofweg getrokken cirkels waarmee Marian Breedveld haar grote doeken vult. Ze gebruikt daarvoor tinten waarin primaire kleuren nog nasmeulen, maar 'weggeschilderd' lijken. Roze, zacht-blauw, mint-groen, alle zijn ze samengeklonterd in dikke, enigszins expressief opgebrachte kernen van verf een vrije vorm van de streng op vorm en kleur geconcentreerde fundamentele schilderkunst van een decennium geleden. Breedveld is esthetischer maar boet daardoor ook in aan 'artistieke probleemstelling'. Dat ligt anders bij Marc Mulders, wiens monumentale schilderijen tegenover die van Breedveld zijn gehangen. Ook bij Mulders is de verf een hoofdrolspeler, vaak in dik opgebracht zwart en grijs, met telkens een beetje rood dat ergens opvlamt. Dramatische kleuren die zijn thema's onderstrepen: geslachte ossen en analoog daaraan lijdende Christussen. Het religieuze krijgt juist door de tastbare verfhuid een onverwacht sensuele werking. In dat opzicht past Mulders' werk beter bij de sculpturen van Arjanne van der Spek, waarmee hij in een volgende zaal inderdaad is gecombineerd. Zo gul als Mulders de verf gebruikt, zo rul en overdadig zijn het cement en de andere stoffen in Van der Speks beelden.

Merkwaardige beelden zijn het, die telkens een tegenstrevend element in zich hebben, twee 'vreemde' materialen die worden gecombineerd of polaire vormen die elkaar uit het evenwicht dreigen te trekken. Aan een skelet van gips en metaal is een metalen tros gehangen, als druiven, een tros die het opneemt tegen de zwaartekracht en gestold lijkt tussen hangen en vallen in. In de collages zijn verschillende materialen vermengd en daar doorheen schemert, alsof het niet de bedoeling was, een beeld. Het is alsof Van der Spek bouwt tot er opeens iets is ontstaan wat 'beeld' heet.

Kussens

Ook Helen Frik maakt, naast beelden, tekeningen en collages. Het zijn fragiele krijt- of inktlijnen op papier, in de verte verwijzend naar herkenbare vormen, intrigerender dan haar onuitgesproken, onaf uitziende beelden. De objecten van Ben Zegers zijn stapelingen van (gebruikt) hout en kussens. Hun titels spreken boekdelen: Fix und Fertig, als een reclame-slogan voor een doe-het-zelf produkt, en Another one verwoorden hoe de beelden eruit zien: mechanisch, zonder zichtbare liefde voor het materiaal en zonder heldere probleemstelling. Er is een uitzondering: Hanky Panky, een sandwich van gele houten kastonderstellen (inclusief pootjes), waartussen een geel matrasje ligt. Het is als een studie in geel en heeft een onverwachte schoonheid.

De beeldhouwer met de meest uitgesproken 'eigen artistieke probleemstelling' in het Gemeentemuseum is Henck van Dijck. Hij gebruikt zo mogelijk nog platvloerser materialen dan Zegers, stukken tuinslang en pijpleiding en waterkraantjes. Met deze loodgietersmaterialen schakelt, buigt en last hij, de leidingen gebruikt hij als volumineuze lijnen, zoals een ander potlood of penseel gebruikt. Meestal verbindt hij de pijpjes en leidingen tot gesloten circuits, waarmee hij een ironische kijk op de wereld uitdrukt. Zoals in Ikoon: een ovalen lijst als van een echte ikoon is van messing buis gemaakt en loopt door naar het midden, waar de voorstelling van de heilige behoort te zitten. Daar vormt de buis een vierkant met een kraantje erop alsof de plaats waar de heilige zich bevindt is omcirkeld en onder stroom kan worden gezet. Maar het is ook net een kindertekening van een heilige met een vierkant hoofd en een vlinderstrik (het kraantje). Materiaal en beeld zijn bij Van Dijck dus een, het koper is tegelijk portret. Van Dijcks wand- en vloerobjecten zijn soms net een practical joke, maar zitten tegelijk vol verwijzingen naar kunsthistorische zaken. Zo hebben de circuits en rasters betrekking op het werk van Mondriaan en Malevitsj.

Zonsondergangen

Van de schilders moet naast Mulders zeker Allard Budding worden genoemd. Zijn schilderijen zien eruit alsof sjablonen er het beginpunt van vormen. Patronen zijn op het linnen uitgespaard of juist nadrukkelijk overschilderd. De stukken zijn moeilijk te beschrijven: reele of aan de herkenbaarheid grenzende vormen worden afgewisseld met totaal abstracte delen. De toeschouwer wordt geconfronteerd met verbrokkelde taferelen die iets oproepen dat je telkens ontglipt. Opmerkelijk is dan ook dat even verderop een serie van drie zelfportretten hangt die uitgesproken is van contour en hard van kleur. Buddings werk is stijlloos; het kan elke schildertrant, elke techniek in zich opnemen zonder dat het op iets lijkt dat we al kenden. Hij legt zichzelf en ons voldoende vragen voor.

De aanwezigheid van de drie overige kunstenaars is mij een raadsel. De series schilderijtjes van Peter Koorstra tonen het verglijden van kleur op een zo kitscherige manier dat ik er almaar zonsondergangen in moet zien. De wandobjecten van Hans Bruinink vertonen een vage gelijkenis met wapenschilden of vlaggen, maar herinneren me hardnekkig aan kunst in trappenhuizen van kantoorgebouwen. En ten slotte de metalen sculpturen van Hans Huitinck, waaronder een vloerbeeld dat in mijn ogen niet meer is dan een van de vele varianten op de minimale sculptuur die vijftien jaar geleden zo populair was. Opmerkelijk genoeg blijken ze alle drie eigenlijk toegepaste kunst te bedrijven voor hun brood (respectievelijk als ontwerper, meubelmaker en technisch tekenaar). De geacheveerdheid van hun werk heeft hen 'verraden'. Ze leveren niet meer dan vakkundig maakwerk.