Billenknijper in elke rij

Napels in de ochtendzon. 't Is nog vroeg, maar de zon zindert al. Een moeder met drie kinderen haast zich naar een grote zaal vol mensen. Ze dringen zich naar een plaatsje met een goed uitzicht op de spreker. Ze moeten opschieten: 'Papa komt zo'.

Nu is er zo te zien een directielid van een of ander groot bedrijf aan het woord. Hij houdt een veel te lang durend verhaal over de ontwikkeling van Zuid-Italie, 'in het bijzonder in relatie tot het terugdringen van de werkeloosheid'. Een man in een groene overall benadert het spreekgestoelte. Dat moet 'papa' zijn, want vrouw en kinderen komen overeind. De man schreeuwt, hij verwijt het directielid hypocrisie. De spreker geeft geen antwoord. De man haalt een jerrycan te voorschijn en overgiet zijn rug met benzine. De vlam van zijn aansteker houdt hij hoog aan het eind van zijn gestrekte arm. Zijn vrouw gilt geluidloos. Pas wanneer hij als een levende fakkel rondwankelt komt de (knap geregisseerde en gefilmde) massa in beweging. In het gewoel slaagt de vrouw er niet in haar man te bereiken eer hij in een ziekenauto wordt afgevoerd.

Het is het laatste dat ze van haar Picone zal zien. Ze onderneemt een zoektocht langs ziekenhuizen en mortuaria maar slaagt er niet in een vinger te krijgen achter de warwinkel van talloze bureau's en loketten met dikke rijen ervoor en onwelwillend personeel erachter. Ze wordt van hot naar her verwezen, in elke rij is er wel een man die in haar billen knijpt en dan zwijgen we nog van de ingewikkelde formulieren waarmee men haar steeds weer wil afschepen. Niemand is bereid haar aan te horen ('Uw man is werkeloos? Mevrouw, we hebben 300.000 werkelozen en u wilt dat we er eentje terugvinden?'); overal wordt ze afgebekt en krijgt ze nul op haar request ('De afdeling brandwonden hier? Die is afgebrand. Heeft u een sigaret voor me?').

Middenin deze hel treft ze Pasquale (Giancarlo Giannini, mooi vriendelijk-louche), een dakloze sjacheraar die van de doldraaiende bureaucratie profiteert met een eigenbedacht beroep. In de hal van een groot, grauw ziekenhuis heeft hij zich opgesteld op de bezoekersbank. Een op zijn kant staande kartonnen doos doet dienst als bureautje, in wat schoenendozen verzamelde hij stapeltjes noodzakelijke papieren. Tegen betaling van een klein bedrag is hij bereid rustig ieders problemen aan te horen, om zijn klant vervolgens op diens tocht langs de instanties te begeleiden, meestal door de achterdeuren en langs corrupte medewerkers. Hij besluit, naar blijkt uit eigenbelang, de vrouw te helpen en gaat op stap. Tot zijn verbazing krijgt hij, elke keer dat hij naar haar man vraagt, grote sommen geld. Het Sesam-open-u luidt: 'Picone stuurt me... '(Mi manda Picone is ook de titel van de film) en al snel is duidelijk dat Picone niet de net ontslagen fabrieksarbeider was die hij voorgaf te zijn. Samen met mevrouw Picone ontrafelt Pasquale, vaak tegen wil en dank en in allerlei merkwaardige omstandigheden, een onaangename waarheid.

Mi manda Picone is een typische Italiaanse komedie. De gebeurtenissen zijn sketches, soms korte kluchten of zelfs komische nummers. Hun enige samenhang is dat ze blijven varieren op hetzelfde onderwerp, in dit geval het feit dat de onwetende sloeber in steeds meer opzichten de plaats van een crimineel gaat innemen. Los van elkaar zouden die scenes best uit te houden zijn, achter elkaar gaan ze meer en meer vervelen. Ze maken het verhaal telkens breder, ze diepen het maar zelden verder uit.

Wat de film positief onderscheidt van zijn soortgenoten is de maatschappijkritische ondertoon die maker Nanni Loy hem meegaf en die in veel gevallen uitloopt op scherp maatschappij-cynisme. Behalve het klaarblijkelijke absurde van het verhaal dat Loy vertelt, speelt het als 'gewoon' ondervonden, alledaagse absurdisme in de overvolle Zuid-Italiaanse steden een doorslaggevende, en voor de goede verstaander zeer komieke, rol. Loy volgde die weg ook in zijn eerdere films, waarvan alleen Caffe Express (over een clandestiene koffieverkoper in een trein) in Nederland te zien was. Logisch volgend uit die kijk op het leven is bij hem dat de underdog de slag tenslotte wint zonder de held te hoeven uithangen. Een held staat voor Loy gelijk met een persoon die niet zuiver op de graad kan zijn. Helden hebben vuile handen tegen sloebers vuile vingertoppen. Alleen de kleine sjacheraar verwierf zich het recht om naief te wereld tegemoet te treden, en daarmee het recht op onschuldig geluk.