PROLOOG

Wij lazen ooit de Reis naar het einde van het alfabet van John Prichard, verschenen in Engeland in de jaren vijftig. Het gaat over een B-keeper die zijn B's kwijt is en over een C-man die naar de C verlangt. 'Where, oh where can my B's B?', said the B-Keeper. 'If only I could C the C again', said the C-man.

En samen met een D-ler gaan de ongelukkigen op weg door het alfabet, op zoek naar hun begeerde letters.

Wacht F'en! dachten wij. Dat kan in de taal van de K's-koppen ook! Het L-N-dige I-D dat het niet zou kunnen! En B'tje bij B'tje kwam er het volgende uit.

A Er waren eens drie mannen in A-dorp die erg ongelukkig waren. De ene was een V-houder die zijn V kwijt was, de tweede een T-leut die zijn T miste en de derde een Z-er die in A-dorp geen Z-werk kon vinden. 'W, OW!', zei de V-houder, 'waar vind ik mijn V?' 'Ik verlang naar mijn T's', zei de T-leut, 'naar mijn ochtend-T en naar mijn middag-T en naar mijn T'tje voor tussendoor.

'

'Ik moet wat Z-en', bromde de Z-er. Ze waren werkelijk bijzonder A-pathisch.

Op een dag vatte de V-koopman moed. 'Laten we op reis gaan', stelde hij voor. 'Een reis naar het einde van het alfabet. Dan moet ik mijn V onderweg tegenkomen.'

'En ik vast mijn T', peinsde de T-leut. 'En misschien zie ik mijn dekselse Z-duivels snel terug.'

Er gloorde iets van hoop in het oog van de Z-er. 'Als ze maar niet allemaal in Z-dorp zijn', verzuchtte de T-leut. 'Dat is zesentwintig dorpen verderop.'

'Niet zo M-eren', zei de Z-er. 'Wie weet hebben we al in B-dorp B't. Kom, we gaan gezamenlijk op jacht. We nemen voor alle zekerheid wat A's uit A-dorp mee.' B Maar ondanks hun lok-A's in B-dorp geen V en geen T; en ook niet het geringste B'tje Z-werk. 'Geen B'st te zien', riep de V-koopman. 'In het T-huis dat ons de B-deker aanbeveelt, verkopen ze B-kers met Y's, maar niet met T', klaagde de T-leut. 'Wie in de Hore-K Z R nog T?' 'Bemoei je niet met Z-en', bromde de Z-er. 'Dat is mijn werk.' Bijna kreeg hij ruzie met de T-leut. 'Snel op B-devaart naar C-dorp', kwam de V-houder tussenbeide. 'Mijn V moet toch ergens zijn.'

'Ik ben blij dat we uit B-dorp weggaan', mopperde de T-leut nog. 'Er zijn alleen maar B-kers met Y's in B-dorp.' C Toen ze in C-dorp aankwa men zagen ze N-kel chimpan-C's. Ze gooiden hun laatste A's naar de Chimpan-C's toe en trokken schielijk verder, op weg naar D-dorp. 'Dit wordt nog een hele Ody-C', kreunde de T-leut. 'O! als de T-kraan in D-dorp het nu maar eens D!' 'Ik wil niets ten D-trimente van D-dorp zeggen', hijgde de Z-er D-moedig en buiten A-dem. 'Maar een klein z'tje mochten ze me daar wel geven.' (wordt vervolgd)