Indianen fokten ara’s voor hun veren

Archeologie

Al voor de komst van de Spanjaarden fokten indianenvolken papegaaien vanwege de waardevolle rode veren.

In New Mexico, in het zuidwesten van de Verenigde Staten, hebben archeologen honderden skeletten gevonden van rode ara’s (Ara macao cyanoptera), een papegaaiensoort uit tropisch Midden- en Zuid-Amerika. De ouderdom en de geringe genetische diversiteit van deze vogelbotjes wijzen erop dat zij tussen 900 en 1200 in gevangenschap zijn gefokt buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied, schrijven de onderzoekers deze week in PNAS. Er bestond in precolumbiaans Amerika een levendige langeafstandshandel in deze kleurige vogels.

Rode ara’s zijn in het wild te vinden in de tropische regenwouden van Amerika, van zuidoostelijk Mexico tot Peru. Omdat deze vogels buiten de paar- en broedtijd betrekkelijk tam zijn, doen ze het goed in gevangenschap en kunnen ze zich er ook voortplanten. In Latijns-Amerika zijn het tegenwoordig populaire huisdieren. Al voordat de Spanjaarden in de zestiende eeuw arriveerden op het Amerikaanse vasteland waren rode ara’s er in trek, vooral om hun felgekleurde veren.

Resten van hokken

In Paquimé, in de Mexicaanse deelstaat Chihuahua, liggen de ruïnes van een stad waar van de dertiende tot de vijftiende eeuw handel werd gedreven tussen volken van Noord- en Midden-Amerika. Hier werden rode ara’s in gevangenschap gefokt en verhandeld, blijkt uit de resten van hokken, botten en eierschalen die er zijn gevonden. Nu blijkt dat dit al eeuwen eerder gebeurde, voor een markt verder naar het noorden.

In de Amerikaanse deelstaat New Mexico bestonden in ‘onze’ Middeleeuwen hoog ontwikkelde, sociaal gelaagde landbouwsamenlevingen. In de Chaco Canyon van noordwestelijk New Mexico werd in 1896 een reusachtig tot ruïne vervallen complex opgegraven, opgetrokken uit stenen van in de zon gedroogde klei (adobe). De vinders doopten het complex Pueblo Bonito (Mooi Dorp). Later zijn er in dezelfde canyon meer zulke ‘grote huizen’ gevonden, onderling verbonden door een wegenstelsel. Deze Chaco-cultuur strekte zich in de elfde eeuw uit tot de huidige staten Arizona, Utah en Colorado.

Ook in het zuidwesten van New Mexico, in het dal van de Rio Mimbres, bestond van 1000 tot 1130 een landbouwcultuur. Deze mensen bouwden nederzettingen van meer dan honderd kamers, opgetrokken van rivierkiezel en adobe. De vrouwen waren vaardige pottenbakkers.

Honderden araskeletten

Zowel in de Chaco Canyon als op archeologische sites van de Mimbres-cultuur vonden archeoloog Richard J. George (Pennsylvania State University) en collega’s honderden skeletten van rode ara’s. Koolstofdatering wees uit dat die daar beland waren tussen 900 en 1200 AD.

Genetisch onderzoek aan een steekproef van veertien van deze oude vogelskeletten en aan ara’s in tropisch Amerika liet zien dat ze afkomstig waren uit één gebied, de grensstreek van het Mexicaanse Chiapas en Guatemala en dat ze behoorden tot dezelfde haplogroep. Hieruit concluderen de onderzoekers dat deze ara’s in gevangenschap waren gefokt, buiten het gebied waaruit de voorouders van deze vogels afkomstig waren. De fokplaats moet volgens de onderzoekers ergens liggen tussen het huidige Zuid-Mexico en New Mexico in.